Herman Maillette de Buy Wenniger

Herman Egbert Maillette de Buy Wenniger (1909-1986)

Herman is in december 1940 samen met zijn vrienden Emile Sindram en Henk Pelser één van de drie eerste huurders van het Nieuwe Suikerhofje aan de Prinsengracht in Amsterdam. Hij is eenendertig en de oudste van de officiële bewoners. Hij woont nog maar een paar maanden op het hofje als hij als bestuurslid van de padvinderij in de gevangenis in Scheveningen opgesloten wordt. Padvinderij wordt op 2 april 1941 volledig verboden door de Duitse bezetters. Zijn arrestatie en gevangenschap wakkeren de verzetswil van zijn vrienden op het hofje aan.

Hij schrijft zich in januari 1941 bij de gemeente Amsterdam in op Prinsengracht 395. Dat is het kleinste huisje van het Nieuwe Suikerhofje aan de rechterkant van de steeg. Begin 1943 verhuist hij binnen het hofjescomplex naar de kapel, die in 1775 achter het hofje gebouwd werd. (1)

Jeugd in Rotterdam

Herman groeit op als tweede zoon (2) in een progressief gezin. Hij heeft een vijf jaar jongere broer Willem. Zijn ouders zijn allebei arts. Zijn moeder, Louise Hulsebos (1876-1945), die in Amsterdam medicijnen heeft gestudeerd en daarna in een Rotterdams ziekenhuis als internist werkt, opent na haar huwelijk in 1903 haar eigen praktijk als kinder- en vrouwenarts op de begane grond van de Westerstraat 39, waar het gezin Maillette de Buy Wenniger ook woont. (3) Ze is “heel actief op het gebied van geboortebeperking in de arme havenwijken van Rotterdam”. (4)

Hermans vader, Lucas Maillette de Buy Wenniger (1875-1934), werkt na zijn afstuderen een tijd als dermatoloog in Arnhem. In 1903 wordt hij in Rotterdam benoemd tot hoofd van de afdeling huid- en geslachtsziekten van het ziekenhuis aan de Coolsingel. Ook is hij chef-arts van de gratis gemeentepolikliniek voor huid- en geslachtsziekten waar hem meer dan dertig jaar lang duizenden zeelieden met “de uiteenlopendste en zeldzaamste huidziekten onder het oog kwamen”. (5)

Hun maatschappelijke ambities blijken uit een brief die Lucas in zijn Arnhemse tijd aan zijn verloofde stuurt: “Wij, zie je, Wij willen iets: ik wil laten zien dat je dermatoloog kunt zijn, ook al is je kennis zoowat self-made, en jij wilt laten zien dat je getrouwd kunt zijn en daarbij praktijk kunt uitoefenen, verder willen we in een stad leven, niet om ijverig deel te nemen aan wat je noemt “de conversatie”, want dat knakt je praktijk absoluut, maar om lekker in een theater te kunnen zitten…Verder willen we iets zijn van reformers, jij als kleding-emancipatie-type, ik als socialist.” (6)

De kleding emancipatie slaat op Louise Hulsebos’ rol als president van de “Vereeniging voor de Verbetering van Vrouwen- en Kinderkleeding”. Ook is ze vijftien jaar lang (1904-1919) presidente van de “Onderlinge Vrouwenbescherming”, een organisatie die tehuizen voor ongehuwde moeders opricht. Haar interesse in de bestrijding van armoede en kindersterfte voert haar ook naar de politiek. Ze zit in de jaren dertig voor de Liberale Staatspartij in de Provinciale Staten van Zuid-Holland. (7)

Alle gezinsleden zijn verwoede padvinders. Herman is bij de Calandtroep in Rotterdam. In een kakiuniform met een korte broek, een halsdoek en een breedgerande hoed speelt hij het verkennerspel naar de regels van het handboek van de Engelse militair verkenner Robert Baden-Powell (1857-1941), Scouting for Boys uit 1908. Baden-Powell, binnen de scouting BP genoemd, wil op een speelse manier eigenschappen als zelfraadzaamheid, vaderlandslievendheid, vindingrijkheid, hulpvaardigheid, moed en improvisatievermogen stimuleren. (8)

Herman (rechts) rond 1925/1926 in padvindersuniform met zijn ouders en jongere broer Willem. Uit: Honderd jaar scoutinggroep de ”Kralingsche Troep” Van verkennerstroep voor Kralingsche jongens, tot gemengde scoutinggroep in Rotterdam-Oost 1918-2018 door Peter Pieterse, 2018.

Hermans ouders hebben verschillende bestuurstaken in de padvinderij op lokaal en nationaal niveau. (9) Zijn vader is een tijdje waarnemend groepsleider bij de Kralingsche Groep, die in 1918 opgericht werd maar in de jaren twintig maar langzaam groeit. Rond 1930 heeft deze groep zelfs nog maar vijf verkenners. (10) Van dezelfde padvindersgroep wordt Herman in 1936 hopman. Padvinderij is dan populairder geworden en de groep een stuk groter. Hermans moeder wordt de Moeder der Padvindsters genoemd omdat ze aan de basis van de padvinderij voor meisjes in Nederland staat. (11)

Studie en hopman

In 1934 sterft Hermans vader Lucas op 59-jarige leeftijd. Herman woont dan in Amsterdam waar hij rechten studeert. In zijn studietijd is hij redactielid van het studentenblad Propria Cures (12) en praeses van de Amsterdamse Studenten Sociëteit N.I.A. in de Sarphatistraat 3. 

Herman doet in zijn studententijd aan toneel en speelt een aantal hoofdrollen met zijn studenten-toneelvereniging. Zijn interesse in toneel leeft hij ook uit in zijn padvinderswerk, waar hij revues en toneelstukken opvoert en regisseert. Ook Baden-Powell was een enthousiaste amateur toneelspeler en gaf de padvinderij een theatrale sfeer met eigen ceremonies, gebruiken en benamingen. Iets van die sfeer komt ook terug op het Nieuwe Suikerhofje als Herman en zijn vrienden daar in 1941 gaan wonen. Ze dopen het hofje om in Prinsenklooster, stellen een klooster-reglement en kloostereed op en houden ceremonies en verkleedfeesten. 

Na zijn afstuderen wordt Herman in 1936 in Rotterdam hopman van de Kralingsche Troep. (13) Hij is daarmee de leider van de verkenners, de jongens tussen 11 en 16 jaar. Veel van de jongens in zijn groep, die tegen de tijd dat de oorlog uitbreekt net volwassen zijn, gaan in het verzet. Net als twee jongere collega’s van Herman: Carel Lodewijk Wilhelm Wirtz (1916-2002), die een tijd als akela de leider is van de jongere jongens en waarneemt voor Herman als die in 1939 gemobiliseerd wordt, en Arnold Jacob (Ab) Stakenburg (1918-1985), die als vaandrig Herman ondersteunt. Zowel Stakenburg als Wirtz waren als kind al lid van de Kralingsche Troep. (14)

De jaren dertig zijn een absolute bloeitijd voor de padvinderij in Nederland. Als Herman hopman wordt van de Kralingsche Troep heeft hij de leiding over meer dan vijftig verkenners, die in patrouilles opgedeeld worden, en een eigen clubhuis hebben aan de Kralingseweg 216, een houten barak, die ze Cappadocië noemen.

Herman heeft vanaf 1938 een bestuursfunctie in de Nederlandsche Padvinder Vereeniging (N.P.V.), waarbij hij zich speciaal met trainingen en de instelling van nieuwe padvindersgroepen bezighoudt. (15) In Amsterdam heeft hij vanaf 1938 als assistent-districtscommissaris een kantoor in het hoofdkwartier van de padvinderij op de Keizersgracht 232. De districtscommissarissen waaronder hij werkt zijn achtereenvolgens Willem Roest van Limburg en Jacob Faber. (16)

Wereldjamboree

Scouting is een internationale jeugdorganisatie. In Duitsland wordt het verboden na de machtsovername van Hitler in 1933 en moeten jongens lid worden van de Hitlerjugend, meisjes van de Bund Deutscher Mädel. Er zijn dan ook geen Duitse padvinders op de vijfde Wereldjamboree, een internationale padvinder ontmoeting, die in 1937 in Nederland gehouden wordt in Vogelenzang bij Bloemendaal.

Bijna 30.000 padvinders uit 54 landen nemen hieraan deel en kamperen op de weilanden en in het duingebied. Op het kampterrein is een plein gebouwd met winkels, een postkantoor, een bank, een restaurant, een wasserij en een reisbureau. Er wordt uitgebreid over de Wereldjamboree bericht in de media, er worden speciale Wereldjamboree postzegels uitgegeven en overal in het land hangen Wereldjamboree-posters. Het Wereldjamboree-lied wordt op de radio gespeeld: “Maar allen dragen in hun hart het groote ideaal/dat niet afhankelijk is van ras, van land of stand of taal.” Het is de laatste jamboree die de tachtigjarige Baden-Powell bezoekt, hij sterft in 1941 in Kenia.

De Kralingsche Troep gaat met 39 verkenners naar de Wereldjamboree. Ze mogen in de openingsceremonie, waarbij de verschillende internationale groepen bijna anderhalf uur lang voor koningin Wilhelmina en Baden-Powell defileren, de Nederlandse vlag en het bordje “Holland” dragen. Misschien krijgen ze die eer omdat ze een uniform met een oranje halsdoek dragen. Op het reusachtige kampeerterrein waar theatervoorstellingen en kampvuren georganiseerd worden sluit de Kralingsche Troep vriendschap met een Engelse troep uit Lancashire, de 1st Shaw Troop. (17)

Poster van de Wereldjamboree met scouts uit verschillende landen.

In het najaar van 1937 haalt hopman Wenniger, zoals hij in de Kralingsche Troep genoemd wordt, het theoretisch, praktisch en administratief gedeelte van de Scouting-cursus voor leiders (de zogenaamde Gilwell-Wood-badge) maar volgens een van zijn verkenners geeft hij zijn eigen draai aan de Kralingsche Troep: “Een van de merkwaardigste padvinderstroepen van Nederland, onder leiding van de onvolprezen Herman de Buy Wenniger en Ab Stakenburg, beiden absoluut geen padvinders zoals Baden Powell die zag, maar leiders die een onvergetelijke indruk maakten op alle verkennertjes die onder hun leiding mochten meekamperen, meetoneelspelen, meelachen”. (18)

De Kralingsche Troep doet het goed onder hopman Wenniger. Zo winnen ze de patrouillewedstrijd in Ommen in mei 1939. Zes verkenners van de Kralingsche Troep winnen het verkennerspel Bommen op Ommen, dat draait om een vliegtuig dat zogenaamd neergestort is. De jongens moeten hun kennis van morse, sporen volgen en eerste hulp laten zien. (19) Één van zes jongens is de zeventienjarige Arnold (Nol) Blitz, die Joods is. Na de bezetting krijgt hij van zijn padvindersvrienden, waaronder Herman, hulp bij het onderduiken en bij zijn vlucht naar Zwitserland.

De winnende patrouille met Arnold Blitz tweede van rechts.

Padvinders gaan op paas-, zomer- en winterkampen waarbij meestal in tentjes gekampeerd wordt. Die zomer bedenkt Herman echter een treinkamp omdat de Engelse scouts die ze in 1937 hebben leren kennen op de Wereldjamboree op bezoek komen. Om hun Engelse vrienden wat van Nederland te laten zien rijden ze met vijf goederenwagons door het land. “We zwommen in de Zee, voeren over het IJsselmeer, bewonderden de maan in het Planetarium, hielden een fijn kampvuur in een bosch bij Vogelenzang…’s Nachts reed onze trein”, schrijft Herman in het padvinder tijdschrijft De Verkenner. (20) De Kralingsche Troep wil in de zomer van 1940 een wederbezoek brengen aan Engeland. Maar, “zal dat mogelijk zijn” schrijft Herman – in het licht van de internationale politieke situatie.

Nederlandse en Engelse padvinders voor hun trein in de zomer van 1939. 

Intussen gaat Hermans werk voor de Nederlandse Padvinder Vereniging ook door. Hij is in 1939 aanwezig bij de installatie van minstens twee nieuwe padvindersgroepen, een christelijke en een Joodse. (21) Omdat hij al gemobiliseerd is, organiseert hij het winterkamp 1939/1940 van de Kralingsche Troep niet. Dat wordt gedaan door Nol Blitz, die met een groep verkenners gaat houthakken. (22)

Bezetting

Over Hermans mobilisatie is weinig bekend. Carel Wirtz valt in 1939 en 1940 vaak voor hem in bij de Kralingsche Troep. (23) Na het bombardement op Rotterdam -waarbij Hermans ouderlijk huis in de Westerstraat beschadigd wordt, maar wel bewoonbaar blijft- helpen padvinders met het transporteren en verdelen van hulpgoederen voor de Rotterdamse bevolking.

Herman is aan het begin van de oorlog in Amsterdam en ook daar helpen de padvinders. Ze ondersteunen de luchtbescherming, de politie en het Rode Kruis. Als de bezetting een feit is gaan padvinders langs de deuren om eten, sigaretten en lectuur voor gewonde soldaten op te halen. Onder District Commissaris Jacob Faber is Herman een van de vier assistenten die deze hulpacties vanuit het Padvindershuis op de Keizersgracht 232 coördineert. Herman schrijft hierover: “Op het Hoofdkwartier is nu alles goed gegaan. Het kon nog juist alle jongens en alle giften bergen, die binnenkwamen. Het is een reservoir geweest van een stroom bruisend Padvindersleven. Maar vooral van een stroom van Goede Daden!” (24)

Illustratie van het Padvindershuis door Henk Pelser voor de kaft van: Paraat! Oorlogsdiensten 1940 van Verkenners en Voortrekkers te Amsterdam. Logboek bijgehouden door Joop Kramer. Tekeningen van Henk Pelser.

Het voorjaarskamp van de Kralingsche Troep is door het uitbreken van de oorlog niet doorgegaan. Wel organiseert Herman in juli 1940 een klein zomerkamp in Hoenderloo. De jongens slapen in een boerenschuur en koken in een zelf opgezette buitenkeuken. (25) Er heerst een gespannen sfeer hoewel de padvinderij officieel nog niet verboden is. Wel staan de padvindersorganisaties onder druk om te versmelten met de jeugdorganisatie van de N.S.B., de Jeugdstorm.

Deelnemers aan het Veluwse zomerkamp in Hoenderloo.

Volgens deelnemer Job van Heck (3e van rechts op de foto), die zijn fototoestel meeneemt naar het zomerkamp wordt: “fotograferen (…) te gevaarlijk geacht. Waren de mensen die deze foto’s zouden ontwikkelen wel betrouwbaar, vroegen wij ons af. (…) Één foto werd toegestaan, maar dan wel met deelnemers geblinddoekt, om herkenning te voorkomen. DIT WAS GEEN SPEL. Eerste links is Arnold Blitz, tweede links Hopman de Buy Wenniger”. (26) Job wekt de indruk dat hij het allemaal nog wel leuk spannend vindt maar een maand later wordt het de padvinders echt verboden om buitenactiviteiten te organiseren. Geen kamperen, trektochten met kaart en kompas, kampvuren en spelen in de natuur meer. En dat is pas het begin van de Duitse maatregelen tegen de padvinders. (27)

In november 1940, als Nederland al een half jaar bezet is, verhuist Herman naar Amsterdam, waar hij op het Rokin 99 op een zolderetage boven een tandartspraktijk woont. Door de jaren heen wonen er verschillende jonge Maillette de Buy Wennigers op dit adres, waaronder ook Hermans jongere broer Willem en zijn vriendin Wilhelmina (Miny) te Winkel. Willem studeert medicijnen en hij kent Henk Pelser, medebewoner van Herman op het hofje, van het laboratorium van professor Woerdeman. (Zie hiervoor het artikel over Henk Pelsers vroege verzet op deze website). Herman raakt waarschijnlijk via zijn broer Willem bevriend met de studenten Henk Pelser en Emile Sindram en komt zo met hen op het Nieuwe Suikerhofje te wonen. (28)

Het Prinsenklooster

De drie jonge mannen ontdekken het sinds 1937 leegstaande hofje in de herfst van 1940. Ze sturen de eigenaar een brief om te vragen of ze de achter de Prinsengracht verstopte achttiende-eeuwse pandjes kunnen huren. Henk en Herman fietsen zelfs naar Naarden, waar eigenaar C.N. Willemse woont, om hem over te halen. Willemse stemt toe, waarbij het feit dat Herman geen student meer is doorslaggevend geweest zal zijn. Daarmee worden Herman, Henk en Emile de hoofdhuurders van het Nieuwe Suikerhofje. De huur wordt vastgesteld op zeshonderd gulden per jaar. Zodra ze er wonen beginnen ze onderhuurders te zoeken voor de zevenentwintig kamers in de zes huisjes. De kapel achter de huisjes is nog verhuurd aan een vereniging, maar wordt na verloop van tijd ook bij het studentencomplex getrokken en Herman gaat er in 1943 wonen. Herman houdt tot hij in 1944 naar Rotterdam verhuist de administratie bij en betaalt de huur aan huurbaas Willemse. Omdat hij al werkt -Sindram en Pelser studeren nog- heeft hij het financieel wat ruimer en vult af en toe de gaten in de kas aan. (29)

Het hofje is na de jarenlange leegstand vies en verwaarloosd. Een tiental oudere padvinders uit Hermans Rotterdamse Kralingsche Troep komen naar Amsterdam om te helpen de vervallen huisjes schoon en bewoonbaar te maken. (30) De wat theatrale sfeer binnen de padvinderij inspireert ook het samenleven op het hofje. Het Nieuwe Suikerhofje, door Henk Pelser later een “commune avant la lettre” genoemd, wordt omgedoopt in het Prinsenklooster. Henk, Emile en Herman stellen een reglement op in zogenaamd oud-Nederlands. Dat regelt de dagelijkse gang van zaken, het onderhoud en de financiën. (31) Het Prinsenklooster krijgt zijn eigen ceremonie, een jaarlijks Concilie -eigenlijk een Kerstfeest- waarbij alle bewoners verkleed gaan als monnik of non. Bij het eerste Concilie in de kapel, in december 1940, wordt Herman tot prior gewijd.

Herman wordt in de kapel tot prior gewijd door Henk Pelser terwijl Emile Sindram en Ruud Steenmeijer toekijken.
Herman in het midden als prior van het Prinsenklooster. Links Henk Pelser, rechts Emile Sindram.

Herman revancheert zich voor het poetswerk van zijn padvinders door in januari 1941 een aantal van de oudere verkenners uit te nodigen in de prachtige kapel van het hofje en hen in een plechtige ceremonie tot voortrekkers te maken. Daarmee vormen ze de oudste leeftijdsgroep, een zogenaamde stam, die bij de Kralingsche Troep Stam der Satrapen wordt genoemd. De Kralingsche Troep had lang geen stam meer gehad en pas een jaar eerder waren ze hiermee weer begonnen. (32)

Namen van de leden van de “Stam der Satrapen”. A. Blitz (1922) en B. Kuyper (1923) zijn Joods. Beide duiken tijdens de bezetting onder.

Uit brieven die Herman naar zijn moeder schrijft, die nog steeds arts in Rotterdam is, blijkt dat hij het wonen op het hofje niet altijd gemakkelijk vindt. Er rijst het beeld op van iemand die de steun en toeverlaat is van veel mensen, maar zichzelf af en toe wegcijfert. Hij zoekt op het hofje een plek „waar ik een beetje tot mijzelf kan komen in deze verwarde tijden“. In 1943 gaat Herman in de ruime kapel wonen, die achter het hofje staat, maar in deze begintijd heeft hij kleine koude kamers zonder sanitair op het noorden: “Nu het weer vriest schiet het hofje ook weer niet op. In die volkomen lege kamers vriest het binnen even hard als buiten. Om geld en kolen te sparen stook ik er voor mij alleen in het rottige kacheltje nog niet. De eenzaamheid en ongezelligheid, het gebrek aan alle comfort en welke verzorging dan ook valt wel eens op je, zo ineens”. (33)

Arrestatie

Binnen de padvinderij hoort Herman bij degenen die absoluut tegen een samengaan met de pro-Duitse Jeugdstorm zijn. Op 2 april 1941 wordt de padvinderij door de Duitsers als een op Engeland georiënteerde militaire organisatie afgeschilderd en helemaal verboden. De leden van de Jeugdstorm roven de clubhuizen van de verschillende padvindersgroepen leeg en nemen die zelf in bezit. Ook het nationale hoofdkwartier van de Nederlandse Padvinders Vereniging in Den Haag wordt bezet en de inhoud van de bibliotheek en het archief wordt verbrand. Veel padvindersgroepen gaan na het verbod illegaal door met ontmoetingen maar dan zonder uniform en vaak onder de dekmantel van wandel- of sportclub. De oudere leden van de Kralingsche Troep zetten een Mah-Yong-club op en blijven elkaar op die manier zien. Mogelijk plannen ze bij die ontmoetingen ook verzetsacties. (34)

Politieverslag van de arrestatie van Hermans padvindercollega Jacob Faber in opdracht van de Sicherheitspolizei op 2 april 1941. “Komt aan dit bureau Jacob Faber, geboren te Amsterdam 16-12-99, adviseur (…) is op last van de Sicherheitspolizei per politie auto overgebracht door de agent van politie (…) naar Keizersgracht 478.” SAA Politieberichten ’40-’45.
In 1943 neemt de NSB-Jeugdstorm het Padvindershuis op de Keizersgracht 232 over. De “andere oplossing” was een samengaan van de padvinderij en de nationaal-socialistische Jeugdstorm. wat door de padvinderij tegengehouden werd, met een verbod als gevolg. Uit: Het Volk 31-07-1943.

De hoofdbestuurders van de padvinderij worden door de Duitsers kort gevangen gezet. Alleen Herman en zijn vroegere chef in het districtsbestuur van Amsterdam, Willem Roest van Limburg, worden langer vastgehouden. Herman wordt vanaf zijn kantoor aan de Keizersgracht 232 in zijn padvindersuniform naar het bureau van de SiPo en SD op de Herengracht 485-487 gebracht. Hij wordt daarna in Amsterdam opgesloten in de gevangenissen aan de Weteringschans en de Amstelveenseweg. Hij zit ook nog een tijd in de gevangenis in Scheveningen. (35) Zijn moeder probeert hem vrij te krijgen en schrijft op 8 mei zelfs een brief aan Rijkscommissaris Seyss Inquart. Ze deelt hem mee dat ze op 1 juni haar veertigjarig jubileum als arts viert en dat ze de twee weken daarvoor, dus vanaf 15 mei, met Herman op vakantie wil. De receptie voor haar jubileum zal op 29 mei zijn. De in het Duits geschreven brief is niet onbeleefd maar ook absoluut niet onderdanig. Ze eindigt met: “Und bete ihnen ganz dringlich meine Sache sich wohl überlegen zu wollen”. (36) Seyss Inquart schijnt Hermans vakantieplanning niet zo belangrijk te vinden maar begin juni 1941 is hij na twee maanden gevangenschap weer op vrije voeten. Medebewoner Tony IJssennagger schrijft hierover: “Je kwam midden in de nacht op het Suijkerhofje terug na je verblijf in het Oranjehotel. Ik sliep al en Henk Pelser blies op de trompet“. (37)

Als het Amsterdams Studentencorps, waarvan Herman in zijn studententijd lid was, zichzelf in oktober 1941 opheft als protest tegen de uitsluiting van Joodse studenten aan de universiteit, vinden de kroonluchters die in de sociëteit hangen een “onderduikplek” in de kapel van het Nieuwe Suikerhofje. (38)

Herman krijgt tijdens de bezetting meerdere keren via het Rode Kruis post uit Engeland. Hij heeft een goede vriend bij de scouting in Maidstone, Dan Chandler. De ouders van Chandler berichten hem in oktober 1942 dat Dan gesneuveld is. Na de bevrijding komt de hopman van de Maidstone-troep, Geoffrey Day, die deel uitmaakt van het geallieerde leger in Nederland, Herman in Rotterdam bezoeken.

In december 1941 informeert de Engelse scouting groep uit Lancashire die in 1939 op bezoek geweest was in Nederland via het Rode Kruis naar hun Nederlandse vrienden en laat weten dat ze vaak aan hen denken: “Dutch scouts often in our thoughts”. Herman antwoordt in februari 1942: “We, all alive, hope to hear from you all, soon war ends.” (39)

Rode Kruispost uit Engeland.

Herman kan begin 1942 nog schrijven dat ze “all alive” zijn, maar dat blijft niet heel de bezetting zo. Van de oudere padvinders die onder Hermans leiding stonden gaan er een aantal in het Rotterdamse en nationale verzet. Peter Anne Wakkie (1926-1945) en Petrus (Piet) Haanebrink (1920-1944) zijn actief in het studentenverzet en de Landelijke Organisatie voor onderduikers (LO). Zij overleven de oorlog niet. Jan Nauta (1922-2013) die deelneemt aan het Leids studentenverzet met een vluchtroute naar Spanje, zit gevangen in Duitsland maar overleeft. De Joodse Jacob Abraham (Bob) Kuijper (1923-1943), ook lid van de Stam der Satrapen van de Kralingsche Troep, duikt in de zomer van 1942 onder in Rotterdam met zijn tweelingzus, broertje en moeder. Bob gaat eind juli 1942 langs bij de moeder van Herman, die hem mogelijk helpt om een onderduikplek te vinden (40). Bob en zijn moeder Julia Kuijper-Vecht (1897-1943) worden samen op 16 januari 1943 door de Rotterdamse politie opgepakt. Op 13 februari 1943 worden moeder en zoon allebei naar Westerbork gestuurd. Bob gaat op transport op 2 maart 1943 en wordt op 5 maart direct na aankomst in Sobibor vermoord. (41)

Bob Kuijper (links) voor de oorlog met zijn tweelingzus Celine en zijn broertje Hans. Alledrie in padvindersuniform. Via: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/124569/jacob-abraham-kuijper

“Levensgevaarlijke bonken”

Na het verbod op de padvinderij in april 1941 is Herman zijn baan bij de Nederlandse Padvinders Vereniging kwijt en gaat hij na zijn vrijlating uit de gevangenis op zoek naar ander werk. Met zijn studie rechten en ervaring in het werken met jongeren vindt Herman een baan in het Rijksopvoedingsgesticht (ROG), een jeugdgevangenis voor jongens, in Doetinchem. Hij vindt kamers op een boerderij in de buurt van Doetinchem. Hij werkt in dit opvoedingsgesticht vanaf eind april 1942 tot februari 1943. Hij heeft onregelmatige werktijden, maar af en toe lukt het hem om naar Amsterdam te gaan. Op een vrijdagavond in juni 1942 “stormde hij daar onverwachts het klooster binnen”. Nu het zomer is schijnt hij zijn aanvankelijke slechte indruk van zijn woning op het hofje bijgesteld te hebben: “De staat van zaken viel heus erg mee (…) ik sliep als een roos in mijn heerlijke bedstee. De kamer was wat stoffig geworden, maar ’t was overigens een genot om weer in die oude boel terug te zijn. Ik merk wel, dat het klooster een belangrijk stuk van m’n leven is geworden, ik zou me geen raad weten, als het om een of andere reden uiteen spatte“. (42)

Terug in Doetinchem doet hij in brieven aan zijn moeder uitgebreid verslag van zijn werk in Het Rijksopvoedingsgesticht dat gevestigd is in De Kruisberg, een landgoed uit de achttiende eeuw. Jongens die veroordeeld zijn voor een misdrijf worden hier jarenlang heropgevoed. (42) Herman heeft de juiste achtergrond voor dit werk, in de jeugdzorg zijn in die tijd veel juristen werkzaam. (43) Op het moment dat Herman in De Kruisberg aankomt wonen er ongeveer honderdvijftig jongens. Omdat het ROG in Amersfoort door de Duitsers gesloten wordt en ze ook andere kleinere tehuizen confisqueren, raakt de Kruisberg in de tijd dat Herman er werkt overbevolkt en krijgen de jongens steeds meer gebrek aan kleding en schoenen, beddengoed en voedsel.

Herman werkt aanvankelijk met verschillende groepen jongens. De jongens die nieuw binnenkomen zitten eerst een tijdje geïsoleerd in een cel, een zogenaamde chambrette, wat Herman aan zijn eigen gevangenistijd herinnert. Daarna werkt hij als groepsleider “en dat valt nog niet mee. Er is overal en altijd een hand die iets tracht weg te nemen of kapot te maken, een mond die een ongewenste opmerking wil maken, een voet die een ander aanstoten of trappen wil. Er zijn veertien stuks van dat alles en dat uren achtereen”. Over het algemeen bevalt het werk hem en hij heeft een goede band met de jongens, zelfs met de oudste pupillen: “Levensgevaarlijke bonken tot 21 jaar. Er zal toch nog wel wat mee te beginnen zijn. Ik wanhoop allerminst. (…) Voor mij maakt het nog steeds geen verschil of ik nu met lastige verkenners, vervelende voortrekkers of dit slag jongens te maken heb.” Daarop waarschuwt een collega hem: “Populariteit onder de jongens is hier ontzettend gevaarlijk. De beste groepsleiders zijn meestal de meest gehate”. Misschien dat Herman daarom al vrij snel administratieve taken krijgt. (44)

Ansichtskaart van Rijks Opvoedings Gesticht De Kruisberg die Herman op 8 juli 1942 aan zijn moeder, Mevrouw, Dr. L.C.M Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos stuurt.

Onderduikhulp in Rotterdam

Herman en zijn moeder kunnen in hun brieven niet openlijk over hun verzetsplannen schrijven maar tussen de regels door blijkt dat Hermans moeder zich in Rotterdam mogelijk met onderduikwerk bezighoudt. Ze heeft veel contact met Gozewina Valkenier (1890-1980), de directrice van het Tehuis voor Zeelieden aan de Veerhaven. (45) Louise Wenniger is voor de oorlog al arts voor de mensen die in het tehuis verblijven, dat dicht bij haar woonhuis en praktijk aan de Westerstraat ligt. Dat zijn sinds het Duitse bombardement op Rotterdam niet zozeer zeelui maar vooral mensen die dakloos geworden zijn. In de latere oorlogsjaren wordt het gebouw ook een noodziekenhuis. Valkenier huisvest er echter ook Joodse onderduikers. Op 2 mei 1942 brengt Catharina Maria (Tine) Anthonisse (1905-1985), de arts waarmee Hermans moeder haar praktijk deelt, een -mogelijk Joods- kind van het Tehuis voor Zeelieden naar Aalten. In deze Gelderse gemeente worden zeer veel onderduikers verstopt. (46) Tine Anthonisse gaat vanuit Aalten nog bij Herman in Doetinchem langs. Herman en Tine raken goed bevriend, verloven zich in juli 1943 en trouwen in februari 1944.

Hermans moeder, Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos. Uit Stadsarchief Rotterdam
Gozewina Valkenier. Uit Stadsarchief Rotterdam

Gozewina Valkenier stuurt op 15 juni 1944 een briefje naar Louise Wenniger, die dan bij familie in het Gooi logeert, en refereert aan een onderduik: “Een goede kennis van u heeft hier een 14 dagen gelogeerd.” Er zijn een aantal keren invallen van de Sicherheitsdienst in het Tehuis voor Zeelieden, waarbij Valkenier met de dood bedreigd wordt indien er een onderduiker gevonden wordt. Gelukkig zitten de onderduikers goed verstopt. Bij een andere inval doet Valkenier alsof er gevallen van difterie in het tehuis zijn, waardoor sommige kamers niet doorzocht worden. (47)

Louise Wenniger verhuurt regelmatig een etage in haar huis in de Westerstraat in Rotterdam, waar ook haar praktijk gevestigd is. Eind juli 1942, als de deportaties naar Westerbork beginnen, schrijft ze Herman over een nieuwe huurder, die waarschijnlijk een Joodse onderduiker is: “Het is alles gehaast, want voor hem is hoe eer, hoe beter”. En ze heeft het over “ijsselijk beraadslagen om het goed te doen“. Ze raadt Herman aan goed de krant te lezen om van alles op de hoogte te zijn. “Geen kennis te nemen is dom.“(48)

Nol Blitz en Bob Kuijper, de twee Joodse padvinders uit Hermans vroegere Rotterdamse padvinderstroep, gaan allebei bij Hermans moeder langs als ze naar een onderduikplek zoeken. Ze schrijft in juni 1942 aan Herman: “Ik heb Nol Blitz hier gehad. Ik heb hem goede raad gegeven en hij is er ook op afgegaan. Hij was er goed aan toe, opgewekt, zag er goed uit.“ (49) Bob Kuijper komt eind juli langs in de Westerstraat. (50)

Herman schrijft verkapt terug over zijn eigen verzetswerk. Hij houdt contact met zijn vroegere padvinderscollega’s in Rotterdam en Amsterdam en krijgt ook bezoek van Ruud Steenmeijer, medebewoner op het hofje. Ruud werkt voor de jeugdzorginstelling Pro Juventute en wanneer Herman het over een “mooi plannetje voor de toekomst” heeft gaat het mogelijk over de onderduik van Joodse kinderen, waar alle medewerkers van Pro Juventute Amsterdam zich mee bezighouden. (51)

In de brieven aan zijn moeder van eind december 1942 refereert Herman aan een “wonderlijk baantje” in Sevenum, in de Noord-Limburgse Peel. Hij is daar “ten nauwste bij betrokken”. (52) Dit verwijst waarschijnlijk ook naar onderduikwerk. Sevenum is net als Aalten een plaats met veel onderduikers. Er zijn in dit dorp geen NSB’ers en er verblijven veel Joodse onderduikers en geallieerde piloten. Meerdere verzetsorganisaties brengen hier honderden Joodse kinderen onder.

Herman is naast zijn baan in Doetinchem ook gezinsvoogd voor Pro Juventute Amsterdam. In de zomer van 1941 organiseerde hij ook een Pro Juventute zomerkamp. (53) Begin 1943 krijgt hij bij deze jeugdzorg instelling een baan aangeboden als assistent-ambtenaar van de Kinderwetten. Hij besluit om bij De Kruisberg ontslag te nemen en terug te verhuizen naar Amsterdam. Hij gaat weer op het Nieuwe Suikerhofje wonen: “Omdat ik hier in het oude klooster veel minder het gevoel heb afgezonderd te zijn van de wereld, bewoond door allen die mij lief en dierbaar zijn”. (54)

Kinderwetten

Bij Pro Juventute werkt hij net als in De Kruisberg met kinderen die dreigen op het verkeerde pad te raken. De ambtenaren voor de Kinderwetten hebben toezichthoudende en voorlichtende taken en contact met het gezin van het “criminele” kind, het eventuele pleeggezin en met verschillende tehuizen en instellingen waar deze kinderen ondergebracht worden. Naast hun reguliere werk gebruiken meerdere (assistent) ambtenaren van de Kinderwetten in Amsterdam, die aangesteld zijn door de vereniging Pro Juventute, dit netwerk om Joodse kinderen te laten onderduiken. (55)

Direct aan het begin van de oorlog wordt al duidelijk dat er meer beroep gedaan zal worden op Pro Juventute omdat meer kinderen op het verkeerde pad raken. Vanaf ongeveer 1943 zitten de tuchtscholen en Rijksopvoedingsgestichten waar minderjarigen hun straf uitzitten zo vol, dat er uitgeweken wordt naar gewone gevangenissen of jeugdrechters zelfs geen vonnissen meer uitspreken. Ook worden er steeds meer kinderen onder voogdij geplaatst. (56)

Pro Juventute heeft in 1940 in Amsterdam vijf ambtenaren voor de Kinderwetten. Eind 1941 keurt het Ministerie van Justitie de aanstelling van nog eens acht assistent-ambtenaren voor de Kinderwetten goed. Er worden aanvankelijk drie vrouwen en vijf mannen aangenomen. (57) Ruud Steenmeijer, die op het hofje woont, is één van die nieuwe assistent-ambtenaren. Een andere is Margreet Taselaar, die vaak op het Nieuwe Suikerhofje komt omdat haar oudere zus Vica daar woont.

Herman vervangt waarschijnlijk een van deze acht assistent-ambtenaren van Pro Juventute, namelijk Henk Stouten, die in 1943 naar Groningen verhuist omdat hij daar een baan krijgt als hoofd van Pro Juventute. Stouten gaat in Groningen door met verzet. Hij is tot oktober 1944, als hij moet onderduiken, betrokken bij de Nulgroep, die met gewapende overvallen op distributiekantoren zorgt voor distributiebonnen voor onderduikers. (58)

Pro Juventute Amsterdam is in de oorlogsjaren een verzetsorganisatie. Van meerdere Pro Juventute medewerkers zijn verzetsactiviteiten bekend. Op het moment dat Herman er in het voorjaar van 1943 komt werken zijn zijn collega’s naast hun normale werk met kinderen die dreigen van het rechte pad af te raken, al maanden bezig met het zoeken van onderduikadressen voor Joodse kinderen en jongeren. Henk Stouten heeft voor zijn verhuizing naar Groningen bijvoorbeeld samen met de chef van de afdeling Jaap Koekebakker een tehuis voor jongens opgezet in Hillegom met de bedoeling daar jonge Joodse onderduikers onder te brengen. (59) Meerdere Pro Juventute verzetsmensen hebben ook (tijdelijk) onderduikers in hun eigen woning. (60)

Margreet Taselaar, die net als Herman assistent ambtenaar voor de Kinderwetten is, en Miny te Winkel, Hermans schoonzus (de vrouw van zijn jongere broer Willem), waren studiegenoten aan de School voor Maatschappelijk Werk. Louise (Wies) Matthes, Hermans nicht (hun moeders zijn zussen), heeft dezelfde school bezocht. Zij vindt een baan als maatschappelijk werker in Hengelo en helpt daar met onderduikadressen. (61) Herman, zijn moeder en zijn toekomstige vrouw Tine Anthonisse, zijn ingebonden in dit onderduiknetwerk. Hermans broer en schoonzus, Willem en Miny, hebben in Laren meerdere vaste en tijdelijke onderduikplekken voor Joodse vrienden en bekenden. Tussen al deze familieleden Maillette de Buy Wenniger en Matthes in Rotterdam, Laren, Blaricum, Hengelo, Doetinchem en Amsterdam is regelmatig contact via brief en bezoek. Herman is niet de enige op het Nieuwe Suikerhofje die deel uitmaakt van een “verzetsfamilie”. Ook Vica Taselaar, Dick van Stokkum en de zussen Hudig werken in de illegaliteit veel samen met familieleden.

De Blokhut in Laren

Hermans jongere broer Willem, student medicijnen, kent meerdere mensen die op het Nieuwe Suikerhofje wonen, zoals Hugo Brandt Corstius en Henk Pelser. Over het verzetswerk van de broer en schoonzus van Herman, Willem en Miny Maillette de Buy Wenniger, die in de herfst van 1941 van Amsterdam naar een padvindershut in Laren verhuizen, is meer bekend dan over dat van Herman.

Willem en Miny leren elkaar kennen in hun studietijd. Miny wil kinderrechter worden maar moet op veertienjarige leeftijd van het gymnasium af na de dood van haar moeder. Met haar HBS-diploma gaat ze daarna naar de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam. Ze zit in dezelfde klas als Margreet Taselaar en ze studeren allebei af in de richting kinderbescherming. Miny woont in een studentenhuis waar ze bevriend raakt met Wies Matthes (62), de nicht van Herman en Willem Maillette de Buy Wenniger, en met Herta Tietz, de verloofde van Maurits Frenkel. Via hen leert ze Willem Maillette de Buy Wenniger kennen. Ze wonen enige tijd samen, wat in die tijd zeer ongebruikelijk is, en trouwen in november 1940, tegen de zin van Miny’s vader en stiefmoeder, die Willem een “onverantwoordelijke bohémien” vinden. (63) Zodra Willem in de herfst van 1940 zijn examen voor semi-arts heeft afgelegd verhuist het jonge echtpaar naar het Gooi.

Ze wonen kort in bij Willems tante in Blaricum, de moeder van Wies Matthes, en huren daarna via contacten binnen de padvinderij een houten barak aan het Raboes 18 in Laren, een slecht begaanbare zandweg. Tot het verbod op de padvinderij was het het clubhuis van de Larense meisjespadvinders geweest, die het de blokhut noemen. De barak ligt verborgen tussen de bomen en is niet kadastraal vastgelegd maar heeft wel water en een kachel. (64) Het wordt een ideale plek om onderduikers te verstoppen. In de grote ruimte waar de meisjespadvinders elkaar ontmoetten worden kleine kamertjes getimmerd waar twee Joodse echtparen onderduiken. (65) Ook Joop Troeder, een in 1928 geboren Joodse jongen die in Laren woont, duikt er tot het einde van de oorlog onder: “Op 3 mei 1942 werd de jodenster verplicht. Toen ik daarmee op straat kwam gingen kinderen van de broeder- en zusterschool om me heen springen: “Jopie is een Joodje, Jopie is een Joodje”. Na een dag al doken wij onder. Eerst zat ik op twee tussenadressen. Op een donkere avond bracht mijn vader mij naar Het Raboes bij Willem en Minnie”, vertelt hij. (66)

Joop blijft er heel de bezetting wonen. Hij kan niet naar school en krijgt les van Willem en Miny, die in de oorlogsjaren twee kinderen krijgen. Er wordt in de verblijfsruimte een gat gegraven met een luik erboven, waar zich tien mensen in kunnen verstoppen. De blokhut wordt een doorgangshuis voor onderduikers. Vooral in het laatste oorlogsjaar blijven er steeds meer mensen een paar dagen of weken: “Het werd bij ons steeds voller. Er werd nauwelijks met elkaar gesproken. Iedereen was bang”, schrijft Joop Troeder over deze tijd. (67)

Voor hun verzorgingswerk krijgen Willem en Miny de Yad Vashem “Rechtvaardigen onder de Volkeren” onderscheiding. Daaruit blijkt dat ze in ieder geval samenwerken met Willems tante in Blaricum en met Wies Matthes in Hengelo. Willem Maillette de Buy Wenniger wordt drie keer door de Duitsers opgepakt en zit de eerste keer zo’n zes maanden in de gevangenis in Scheveningen. (68) Hij en de dan zestienjarige Joop Troeder worden in 1944 bij een inval door de SD opgepakt vanwege seinen met licht. Ze worden gevangen gezet in een kazerne in Crailo, die door de Duitsers als gevangenis wordt gebruikt. Na te zijn verhoord in het hoofdbureau van de SD op de Euterpestraat in Amsterdam worden ze veroordeeld voor spionage en samen in een auto naar Kamp Amersfoort gereden. Als de auto vanuit de lucht beschoten wordt lukt het ze te ontsnappen. Toevallig zijn ze dicht bij de blokhut en kunnen ze allebei naar huis rennen. (69)

Er is een duidelijke verbinding tussen Willem en Miny en het Utrechtse studentenverzet. De koerier van Willem en Miny is Mechteld van Hardenbroek van Ammerstol (1918-2000). (70) Zij en haar jongere zus Aleid Ingeborg (Inge, 1921-1945) die papieren vervalst, studeren in Utrecht. Mechteld staat ook in contact met de Persoonsbewijzencentrale in Amsterdam, vooral met Herman Sandberg (1918-2008), en bezorgt een lading springstoffen voor de aanslag op het bevolkingsregister in Amsterdam op 27 maart 1943. (71)

Zowel Willem als Herman Maillette de Buy Wenniger zijn meerdere malen door de Duitsers opgepakt. Of die arrestaties verband met elkaar houden is niet vast te stellen. In het voorjaar van 1943 moeten de onderduikers in de blokhut op stel en sprong weg omdat er een overval van de Sicherheitsdienst dreigt. Mogelijk is hier een verband met de inval van de SD in het Nieuwe Suikerhofje op 2 april 1943 waarbij alle bewoners gevangen gezet worden op verdacht van betrokkenheid bij de aanslag op het bevolkingsregister een week eerder.

SD-invallen

Precies twee jaar nadat Herman gearresteerd werd na het verbod op de padvinderij, komt hij weer in de gevangenis terecht als het Nieuwe Suikerhofje tijdens het politie-onderzoek naar de daders van de aanslag op het bevolkingsregister van 27 maart 1943 door een politie-informant aangewezen wordt. (72) Op 2 april 1943 is er een inval van Nederlandse agenten van de Sicherheitsdienst, die iedereen op het hofje oppakken. Ook Herman, die pas sinds twee maanden weer in Amsterdam woont. Hermans medebewoners Vica Taselaar en Dick van Stokkum zitten bijna het hele verdere jaar 1943 opgesloten. Henk Pelser komt pas na de bevrijding weer vrij. Antony IJssennagger en Bram Kuiper worden na drie weken voorarrest vrijgelaten. Hermans Pro Juventute collega Ruud Steenmeijer zit ook even vast. Omdat hij niet officieel op het hofje woont kan hij zeggen dat hij er die dag alleen maar op bezoek was. 

Herman schrijft in een uit de gevangenis aan de Weteringschans gesmokkeld minuscuul briefje aan een vroegere padvinderscollega dat hij meerdere keren verhoord is, hetgeen “niet prettig“ was. Hij voorziet dat “het lang kan duren“ en rekent op een “zwaar vonnis“. Hij zit met drie anderen in een cel, mag lezen en “het eten is minder dan 2 jr geleden (toen hij in het Oranjehotel zat A.B.) maar wel smakelijk”. Hij vraagt om “sacharientjes voor de koffie” maar zegt ook: “Communicatie is een voornaam ding, nog belangrijker dan eten. Mochten jullie eens de moed en het vernuft vinden tot het verbergen van briefjes in de wasgoederen doe dat dan erg scherpzinnig en in het klein. Papier hebben we hier genoeg, ons ontbreekt potloodstift.” Hermans moeder gaat op zoek naar een goede advocaat maar gelukkig valt het mee en komt Herman eind april al weer vrij. (73)

Briefje van Tine aan Herman (ware grootte) op vloeipapier geschreven en in het wasgoed de gevangenis in gesmokkeld. 20 april 1943.

Hij gaat weer op het hofje wonen en verlooft zich op 17 juli 1943 met Tine Anthonisse uit Rotterdam. Zij is begonnen als leerling-verpleegster in het Westergasthuis in Amsterdam, doet daarna een studie medicijnen en wordt arts. Ze deelt in Rotterdam al enige tijd een praktijk met de moeder van Herman, Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos. Twee weken voor de verloving worden de twee vrouwelijke artsen opgepakt door de SD in Rotterdam en verhoord. Na een paar dagen gevangenis worden ze op 7 juli weer vrijgelaten en krijgen een boete. (74) Wat de aanleiding voor hun arrestatie is, wordt niet duidelijk maar in haar brieven aan Herman noemt zijn moeder vanaf maart 1943 meerdere keren dat bekenden door de Sicherheitsdienst korte tijd gevangen gezet zijn. (75)

Onderduikers

Op het hofje komen in de loop van 1943 steeds meer onderduikers. Meerdere studenten die de loyaliteitsverklaring niet willen ondertekenen en daarom verplicht naar Duitsland moeten om daar te werken verstoppen er zich. De Joodse kunstenaar en componist Bob Hanf betrekt in juni onder een schuilnaam een kamer in het hofje. Het Nieuwe Suikerhofje is zijn tweede onderduikadres. Hij zat al een jaar ondergedoken in een klein kamertje op de Passeerdersgracht. Jo Elsendoorn, een uit Kamp Vught ontsnapt lid van een Amsterdamse communistische sabotage-groep, woont vanaf november 1943 ook onder een valse naam op het hofje. Herman overziet vanuit de kapel het kleine wereldje van het Prinsenklooster tot aan zijn huwelijk en verhuizing/vlucht naar Rotterdam.

Herman en Tine trouwen op 26 februari 1944. Bob Hanf geeft hen een voor twee piano’s bewerkte partituur als huwelijksgeschenk. Herman, Tine en Bob maakten vanaf juni 1943, als Hanf onder de schuilnaam Spinhoven onderduikt op het hofje, vaak samen muziek in de kapel. Herman en Tine zijn beide goede pianisten, Bob Hanf speelt viool. (76) 

Op 25 april 1944 is er weer een inval van de Sicherheitsdienst in het Nieuwe Suikerhofje. Alle bewoners, waaronder Bob Hanf, worden ‘s ochtends vroeg van hun bed gelicht. Hanf wordt via Westerbork naar Auschwitz gestuurd en daar vermoord op 30 september 1944.

Toevallig zijn op die 25 april Hermans vroegere padvindercollega’s uit de Kralingsche Troep, Ab Stakenburg en Carel Wirtz, op bezoek in het Nieuwe Suikerhofje. Stakenburg, kunsthistoricus bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag, is voor zijn werk in Amsterdam om schilderijen in het Rijksmuseum te controleren die eerder bij het RKD in bewaring waren en logeert op het hofje. (77) Stakenburg en Wirtz zitten na hun arrestatie een tijd gevangen in de gevangenis aan de Weteringschans maar komen weer vrij.

Herman is tijdens deze SD-inval niet meer in Amsterdam. Hij weet dat hij gezocht wordt en woont al een tijdje illegaal in Rotterdam. Hij verlaat Amsterdam na de arrestatie van zijn Pro Juventute collega Hilbertus Gerard (Bert) van Veen (1912-1993). Die wordt begin 1944 op het kantoor van Pro Juventute op de 2e Helmersstraat 16 door de Sicherheitsdienst opgepakt. Hij zit vanaf 1 maart 1944 in Vught en vanaf eind mei in Dachau gevangen maar overleeft de oorlog. Ook Ruud Steenmeijer, die net als Herman bij Pro Juventute werkt en op het hofje woont, neemt de benen. Hij verhuist naar Hummelo waar hij gaat werken in het jeugdkamp “de Tol”.

Herman schrijft in een na-oorlogse brief aan verhuurder Willemse dat de kapel na “zijn vlucht voor de S.D.” leegstaat en “hard achteruit gegaan (is) door vocht en schimmels”. (78) Herman meldt zich in Rotterdam niet bij de gemeente aan en zit min of meer ondergedoken in zijn eigen huis aan de Westerstraat 39, waar zijn vrouw praktijk houdt. Zijn moeder is in januari 1944 met pensioen gegaan en heeft de praktijk aan Tine overgedaan.

Verzetsorganisaties

Vermoedelijk werkt Herman met meerdere padvindersvrienden ook in de illegaliteit samen. Zijn twee naaste medewerkers uit de Kralingsche Troep die op het hofje gearresteerd worden, werken allebei voor de Raad van Verzet (RVV) in Rotterdam. Op een lijst met medewerkers van de RVV staat Ab Stakenburg genoteerd als koerier van een brigade. De leider van deze verzetsgroep, Jan Thijssen (1908-1945) zit begin 1943 een tijd ondergedoken op een landhuis van de familie de Normandie s’ Jacob tegenover Kasteel Staverden. Ab Stakenburg is in 1942 en 1943 veel op de Veluwe omdat hij voor het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie een deel van de kunstcollectie (vooral familieportretten) beheert dat op kasteel Staverden opgeslagen is. Carel Wirtz wordt in dezelfde lange lijst met medewerkers van de RVV in Rotterdam genoemd als intendant van de staf van de Brigade Rotterdam. Hermans naam is op deze lijst echter niet te vinden. (79)

.Jan Thijssen, die voor de oorlog elektrotechnisch ambtenaar bij de PTT was, begint al snel na de bezetting met het opzetten van een eigen zendernet. Eerst voor de verzetsorganisatie Ordedienst, vanaf mei 1943 voor de door hem opgezette Raad van Verzet. Thijssen heeft met zijn radio’s al langer contact met Engeland maar pas vanaf de zomer is het binnenlands netwerk van radioverbindingen operationeel. In de herfst van 1944 reorganiseert Thijssen de Raad van Verzet in brigades en begint een wervingscampagne. Uiteindelijk worden alleen de brigades Rotterdam en de Veluwe inderdaad op militaire leest opgezet. In juni 1944 zijn er in heel Nederland 800 RVV-medewerkers, in november van dat jaar 2.400, waarvan 900 in Rotterdam. Er zijn waarschijnlijk meer voormalige padvinders die zich bij de Rotterdamse Raad van Verzet aansluiten. De illegale telefooncentrale die Gerard Bast (1924-1999) en Jan W. van Zwieten (1927), beiden lid van de Stam der Satrapen, in Rotterdam opzetten is mogelijk ook met de Radiodienst van de Raad van Verzet verbonden. 

Ook zijn er verschillende banden tussen het Veluws verzet en de verzetskring rond het Nieuwe Suikerhofje. Amsterdamse medische studenten en artsen staan in contact met een Veluwse verzetsgroep rond de orthopedisch chirurg Joop Kruimel en het artsen-echtpaar Dirk en Nellij Eskes. Dr. Kruimel (1900-1976) woont in Utrecht maar heeft een vakantiehuis De Ruif in Garderen, waar Joodse onderduikers en geallieerde piloten ondergebracht worden. Dirk en Nellij Eskes hebben beide medicijnen in Amsterdam gestudeerd en zijn onder andere bevriend met de arts Lien Beverwijk, die samenwerkt met medische studenten op het hofje. (80) Dirk Eskes (1913-1945) is daarnaast een van de leiders van Jan Thijssens Radiodienst. Thijssen en Eskes worden allebei kort voor de bevrijding door de Duitsers doodgeschoten.

Net als Willem en Miny Maillette de Buy Wenniger, Hermans broer en schoonzus, die via hun koerier Mechteld van Hardenbroek contacten hebben met de Persoonsbewijzencentrale (PBC) heeft ook Herman een verbinding met deze vervalsingsgroep waarin veel kunstenaars werken. Uit zijn studententijd kent hij Frits (Flap) Dekking (1913-2004) een student medicijnen die net als Herman uit Rotterdam komt. Dekking is betrokken bij de vervalsingsgroep Persoonsbewijzencentrale en wordt gevangen gezet voor betrokkenheid bij de overval op het persoonsregister in maart 1943. Dekking, die op latere leeftijd zijn oorlogservaringen opschrijft onder het pseudoniem Yvo Pannekoek, is ook bevriend met Vica Taselaar, medebewoonster van Herman op het hofje. (81)

Bij de zes padvinders die in januari 1941 in de kapel van het Nieuwe Suikerhofje opgenomen worden in de Stam der Satrapen is ook Jaap Hudig. Beide ouders Hudig, Jan Hudig en Emma Hudig-Roos, hebben voor de oorlog functies in de Kralingsche Troep, voornamelijk in het beheer van het clubhuis Cappadocië. (82) Jaap Hudig is een enthousiaste padvinder (83) die een oudere broer en vier oudere zussen heeft. Alle vier de zussen, waarvan er twee in Utrecht studeren en twee een tijdje op het Nieuwe Suikerhofje wonen, zitten in het verzet. (84) De twee zussen Hudig die op het hofje wonen, Lotta Clara en Britta, komen daar waarschijnlijk terecht omdat ze Herman uit Rotterdam kennen.

Herman is ook betrokken bij de Pro Juventute verzetsgroep die Joodse kinderen laat onderduiken en werkt mogelijk samen met zijn broer Willem, schoonzus Miny en nicht Wies Matthes, die ook onderduikers helpen. Dat Herman onderduikhulp geeft blijkt ook uit een verslag van hem over de verhuizing van een onderduiker eind 1943-begin 1944: “We zijn eens, ‘s avonds na spertijd, thuisgekomen van de vermoeiende verhuizing van Loutje. We hadden hem, opgevouwen in een middelmaat-wasmand, van drie hoog in de Jordaan, zo min mogelijk stommelend op de donkere trappen, in sukkeldraf op een extreem-gammele bakfiets zonder fietsketting of banden, naar een veiliger adres getransporteerd”. (85)

Loutje is Louis Tas (1921). Hij is de zoon van de behanger Samson Tas (1888-1942) uit de Rivierenbuurt. Zijn ouders worden in 1942 in Auschwitz vermoord maar hij en zijn oudere broer Juda (1914) overleven in onderduik. Juda en zijn vrouw Esther Tas-Sallo zitten ondergedoken op de zolder van het gebouw van het kadaster in Alkmaar. (86) Louis Tas, die na de oorlog rijksambtenaar en econoom wordt, zit eventjes in het Nieuwe Suikerhofje ondergedoken maar gaat dan door naar de Bethaniëndwarsstraat 9 in het centrum. Daar zit de Joodse studente Philine Polak ondergedoken, die na de oorlog vertelt dat een vriend van haar er in een wasmand arriveert, omdat hij als kind polio had en slecht kan lopen. (87) Philine Polak en Louis Tas zijn even oud, woonden beide in de Rivierenbuurt en waren mogelijk klas- of studiegenoten.

Onderduik en vlucht van Nol Blitz

Herman helpt ook zijn vriend en padvindercollega Arnold (Nol) Blitz, de Joodse padvinder uit Rotterdam. Nol is in Rotterdam geboren en maakt als kind al deel uit van de Kralingsche Troep. Hij is enig kind en woont met zijn ouders, Isaac Blitz (1878-1942) en Theodora Blitz-Wittsteyn (1888-1942) in de Oranjelaan 10a in Kralingen. Vanaf 1936 is Herman zijn hopman. Nol maakt deel uit van de Hanenpatrouille die in mei 1939 de patrouillewedstrijd in Ommen wint, helpt Herman met het organiseren van het winterkamp 1939-1940, gaat met hem mee op het oorlogskamp in Hoenderloo in de zomer van 1940 en wordt door Herman geïnstalleerd als lid van de voortrekkers stam van de Kralingsche Troep. (88) In 1941 is hij als vaandrig een van de drie naaste medewerkers van Herman. De andere twee vaandrigs zijn Ab Stakenburg en Dirk Valstar.

Net als alle Joden in Nederland krijgt Nol te maken met de anti-Joodse maatregelen. Uit een brief die hij in april 1942 aan Herman schrijft is op te maken dat hij de twee jongste kinderen van stadgenoot Felix Raphaël Pierot (1902-1952) thuis onderwijs geeft. Joodse kinderen worden gesegregeerd en mogen na de zomervakantie 1941 niet meer naar hun eigen scholen. Op het moment dat Nol de brief schrijft zit Felix Pierot, een makelaar in schepen, in de gevangenis in Rotterdam. Hij komt op 27 april vrij, na door de Sicherheitspolizei ondervraagd te zijn. (89)

In juni 1942 gaat Nol langs bij de moeder van Herman in Rotterdam om raad te vragen over een eventuele onderduik. Zij geeft hem waarschijnlijk een adres want hij “gaat erop af”. Volgens Hermans moeder met goede moed. (90)

Nol krijgt in juli 1942 een oproep om zich te melden voor “tewerkstelling in het oosten”. Hij meldt zich niet. Op 28 september 1942 schrijft Nol weer een brief aan Herman waaruit is op te maken dat hij in Rotterdam ondergedoken zit. Op dat adres zijn ook kinderen ondergedoken, maar het is niet duidelijk of dat de kinderen Pierot zijn. Nol schrijft: “Veel moeite hebben we met het organiseren van afleiding voor de kinderen. We woekeren met ruimte. (…) Ik snak naar (…) alleen maar een stukje bos en hei.” En ook: “Je bent soms zo volkomen gekookt, dat je met je hoofd tegen de eerste beste muur zou willen lopen.” Nol vertelt Herman dat hij de padvinderij mist en dikwijls liedjes zingt: “Dan kan mij soms midden in zo’n lied de gedachte overvallen van: lummel, jij zit te zingen en je medemensen zijn misschien al dood. Luguber hè. Dagelijks worden je kennissen voor je neus weggehaald”. (91)

Dat lot treft minder dan een maand later ook Nols ouders. Zij worden op 15 oktober 1942 door de politie van Rotterdam opgepakt, onbekend is of dat uit hun eigen huis of van een onderduikadres is. (92) Ze zitten tot 19 oktober in de gevangenis in Rotterdam en worden dan naar Westerbork gebracht waar ze doorgestuurd worden naar Auschwitz. Daar worden ze op 9 november 1942 vermoord.

In zijn brief aan Herman geeft Nol de naam van Hans Julius van Dam (1916-1980) als contactpersoon. Deze jonge Joodse advocaat is net als Nol Blitz vaandrig van een Rotterdamse padvindersgroep, maar in tegenstelling tot Nol heeft hij een voorlopige vrijstelling van deportatie door een functie bij de Joodse Raad. Hij hoeft op het moment dat Nol zijn brief aan Herman schrijft dus nog niet onder te duiken. Maar in november 1942 vlucht Hans van Dam via een vluchtlijn van de Landelijke Organisatie van Onderduikers via Frankrijk en Spanje naar Engeland, waar hij in juni 1943 aankomt. (93)

Mogelijk geeft dat Nol het idee om ook te proberen uit Nederland weg te komen. Nol is volgens zijn zoon Wouter “lange tijd in onderduik geweest, maar uiteindelijk werd het hem te heet onder de voeten. Hij heeft met behulp van vrienden de mogelijkheid gekregen om te vluchten. Het doel was Zwitserland te bereiken”. (94) Die vrienden zijn Herman en waarschijnlijk ook de familie Hudig. Nol en Jaap Hudig zaten samen in de Kralingsche Troep en twee oudere zussen van Jaap wonen net als Herman in het Nieuwe Suikerhofje.

Herman zal Nol Blitz voorgesteld hebben aan Henk Pelser, die ook in het Nieuwe Suikerhofje woont. De twintigjarige Blitz wordt opgenomen in een groepje van tien Joodse vluchtelingen die op 6 januari 1943 samen met de student medicijnen Henk Pelser en de journalist Dries Ekker op weg gaan naar Zwitserland.

Pelser heeft vanaf de zomer van 1942 een bestaande vluchtlijn naar Brussel verder uitgebouwd. Samen met de journalisten Mathieu Smedts en Dries Ekker is het hem gelukt om meerdere Joodse vluchtelingen naar Zwitserland te helpen. Mathieu Smedts is in november 1942 in Brussel gearresteerd maar Pelser en Ekker gaan door met hun vluchtlijn, die van Brussel door de Ardennen naar de Franse grens bij Sedan loopt, vandaar via Nancy en Belfort naar het Frans-Zwitserse grensgebied. Pelser is zelf al een keer via Lyon Zwitserland binnen gekomen bij Genève, maar heeft de grensovergang bij Belfort nog niet gebruikt. Dries Ekker heeft al veel vluchtelingen naar Brussel gebracht en reisde met Pelser naar Frankrijk in opdracht van de Paroolgroep maar was nog niet in Zwitserland. (95)

Behalve de tien vluchtelingen nemen Pelser en Ekker ook opdrachten van de Paroolgroep mee en microfilms die via de Nederlandse ambassadeur in Zwitserland naar de Nederlandse regering in Londen moeten. De informatie voor Londen krijgen ze van de voormalige commissaris van de Koningin in Utrecht, Bosch van Rosenthal, wiens broer de Nederlandse ambassadeur in Bern is. Pelser en Ekker krijgen codenummers mee om zich in Zwitserland te kunnen identificeren. Pelser neemt alle uitgaven van de Nieuwsbrief van Pieter ‘t Hoen en Het Parool mee, door fotograaf Carel Blazer op microfilm gezet. (96)

Van de tien vluchtelingen die op 6 januari aan hun reis naar Zwitserland beginnen, zijn naast Nol Blitz nog een paar namen bekend. Er gaat een jong gezin mee; Samuel Machiel (Chiel) Speelman (1911-2002), gepromoveerd scheikundige en arts, en Sylvia Nieweg (1920-2013). Ze zijn in 1939 getrouwd en hebben een babyzoon Willem Arnold (1942-2018) van acht maanden oud. (97)

Pelser en Ekker hebben een uitstekende vluchtlijn opgebouwd. Ze zorgen voor valse Nederlandse papieren en weten de weg over de Nederlands-Belgische grens bij Roosendaal. Valse Belgische papieren komen van het Belgisch verzet en reisdocumenten voor Frankrijk tegen betaling van een Luxemburgse verzetsman. Op de landsgrens tussen België en Frankrijk kennen Pelser en Ekker een passeur, een zekere Jacques, die vluchtelingen in een oude taxi over een kleine grenspost brengt waarvan de douane-ambtenaar omgekocht wordt. Daarna reizen ze per trein door Frankrijk en uiteindelijk moet er 900 gulden per persoon betaald worden aan de passeur in Belfort, de Belg Paul Ruys, die de vluchtelingen naar Zwitserland zal brengen. Pelser en Ekker hebben hem vrij recent leren kennen.

Henk Pelser en Dries Ekker vertrekken met Nol Blitz, het gezin Speelman-Nieweg en nog minstens zes vluchtelingen, waaronder een gezin met een jong meisje, op 6 januari 1943 naar Roosendaal. Tot schrik van de reisgroep vraagt het jonge meisje “in de volle trein aan haar vader of ze nu echt naar Zwitserland gaan.” (98) Ze komen veilig in Brussel aan waar ze snel met Belgische en Franse identiteitspapieren verzorgd worden door een Belgische kennis van Pelser, Margot Nyst. Net als haar Joodse man, Fernand Wolf, is ze lid van de Witte Brigade, het Belgisch verzet. (99) Nol Blitz krijgt een identiteitsbewijs op naam van Remi de Caluwe uit Gent, geboren in 1921 en daarmee een jaar ouder dan Blitz, die in 1922 geboren werd. (100) De tien vluchtelingen, begeleid door Pelser en Ekker, reizen voorspoedig want op 9 januari 1943 zijn ze al in Belfort bij de Zwitserse grens. (101)

In Belfort, waar Pelser en Ekker eerder een passeur gevonden hebben, Paul Ruys, die vluchtelingen tegen betaling over de Frans-Zwitserse grens brengt, wordt het station zwaar bewaakt en moeten alle passagiers één voor één langs de controle. (102) Dat gaat gelukkig goed. Pelser, Ekker en Speelman gaan vervolgens naar het huis van Paul Ruys, die beloofd heeft de vluchtelingen tegen betaling naar Porrentruy in Zwitserland te brengen. Ze worden echter weggestuurd door een zenuwachtige Madame Ruys, haar man blijkt twee dagen eerder te zijn gearresteerd.

Ekker en Pelser proberen twee dagen lang tevergeefs in dorpen langs de grens een nieuwe passeur te vinden. Ze gaan dan nog eens naar Ruys’ vrouw die wat gekalmeerd is en minder afwerend reageert. Ze krijgen nu de naam van een andere passeur, Henri. (103) Pelser schrijft in zijn boek Vluchtweg Zwitserland uit 1996: “Helaas waren, door het oponthoud, twee van de vluchtelingen in paniek geraakt en hadden geprobeerd op eigen houtje naar Zwitserland te komen. Beiden werden door de Duitsers gepakt en gedeporteerd. Slechts een van hen heeft de oorlog overleefd”. (104)

Een van die twee opgepakte vluchtelingen is Nol Blitz. (105) Mogelijk is hij eerder ongeduldig dan in paniek. Als ervaren padvinder is hij vertrouwd met lange tochten in de natuur en hij zal gedacht hebben dat hij een goede kans maakt om de grens over te komen. Toch gaat het mis. Hij wordt gearresteerd door de Duitse grenswachters. Zijn identiteitspapieren op naam van Remi de Caluwe houden gelukkig stand en hij wordt als niet-Joodse Belgische gevangene via het grote doorgangskamp Royallieu in het Noord-Franse Compiègne naar concentratiekamp Sachsenhausen gestuurd waar hij als dwangarbeider moet werken in de Heinkel vliegtuigfabriek in Oranienburg. De bevrijding door de Russen op 22 april 1945 komt voor hem net op tijd, want hij heeft geelzucht gekregen en ligt ernstig ziek in de ziekenbarak.

Nol Blitz vult dit document in Sachsenhausen op 30 januari 1943 in onder zijn valse naam Remi de Caluwe. (https://collections.arolsen archives.org/en/search/person/4097268?s=Remi%20Caluwe&t=1764&p=7)

Nol kan in de chaos van het naoorlogse Duitsland pas in juli 1945 Nederland bereiken. Daar blijkt dat zijn ouders in november 1942 in Auschwitz vermoord zijn en dat zijn ouderlijk huis aan de Oranjelaan in Rotterdam volledig is leeggeroofd. Hij woont vervolgens een tijdje in Kralingen bij de familie Hudig op de Kralingscheplaslaan 39. (106) Hij neemt ook weer deel aan de padvinderij en is bijvoorbeeld op 24 oktober 1945 aanwezig bij een stambijeenkomst geleid door Herman, waar o.a. ook Jaap Hudig, Jan van Zwieten en Gerard Bast aanwezig zijn. (107) Blitz verlaat Nederland in 1946 voor een baan in Nederlands-Indië. (108)

Arnold Blitz (links, met camera in de hand) met zijn Nederlandse kampmaat Tony Mast in Berlijn in juni 1945 na vrijlating uit Sachsenhausen.(collectie: https://nat.museum-digital.de/index.php?t=objekt&oges=66769)

Mogelijk zijn nog twee andere mensen door Herman terecht gekomen bij de vluchtlijn van Henk Pelser en Dries Ekker naar Zwitserland. Barend Swaab de Beer (1882-1952) is een rijke, excentrieke zakenman, die voor de bezetting voorzitter is van de Nederlandse Wielren Unie. Hij is getrouwd met Henderika Cohen (1880-1976). Swaab de Beer heeft contacten binnen het bestuur van de padvinderij. Hij staat bijvoorbeeld op de lijst met organisatoren van de Wereldjamboree 1937. (109) De meeste van deze organisatoren zijn (oud)padvinders. Er is dus een mogelijkheid dat Swaab de Beer Herman via de padvinderij of tijdens de Wereldjamboree leert kennen en hem later om hulp vraagt voor onderduik en/of een vlucht naar het buitenland.

Barend Swaab de Beer.

In de loop van oktober 1942 vluchten Barend Swaab de Beer en Henderika Cohen weg uit Nederland. Henk Pelser is op dat moment in Frankrijk, dus het echtpaar wordt naar Brussel gebracht door de journalisten waarmee Pelser samenwerkt, Mathieu Smedts en Dries Ekker. In Brussel wachten ze in een doorgangshuis in het zuiden van Brussel totdat hun valse papieren voor de verdere reis klaar zijn. Deze reis is eerder dan die hierboven beschreven van Nol Blitz. Er is nog geen doorgaande vluchtlijn naar Zwitserland en Smedts en Ekker reizen niet verder mee dan Brussel. Vanaf Brussel gaat het echtpaar Swaab de Beer mee met lokale passeurs. Voor de vlucht van Brussel naar Zwitserland betalen ze duizenden guldens per persoon, omgerekend naar huidige prijzen tienduizenden euros. (110) Details over hun reis door België en Frankrijk zijn niet bekend. Ze komen op 12 november 1942 veilig in Zwitserland aan. (111)

Het laatste oorlogsjaar

Het laatste oorlogsjaar is Herman in Rotterdam. Hij en Tine wonen in zijn ouderlijk huis aan de Westerstraat 39 waar ook de praktijk van Tine is. Hermans moeder die gepensioneerd is en tobt met haar gezondheid logeert tot aan de bevrijding bij haar zus in Blaricum. Herman heeft na de arrestatie van zijn Pro Juventute collega Amsterdam verlaten en zich niet officieel in Rotterdam aangemeld.

Op 10 en 11 november 1944 is er in Schiedam en Rotterdam een enorme razzia voor de Arbeitseinsatz. Achtduizend Duitse soldaten kammen die steden huis voor huis uit op zoek naar mannen tussen de zeventien en veertig jaar. Herman, die vijfendertig is, verstopt zich in zijn eigen huis. Vier keer wordt het door soldaten doorzocht. “Eenmaal was de huiszoeking tamelijk grondig. Tine ving de mannen steeds beneden op en leidde hen overal rond”, schrijft Herman later. Hij wordt gelukkig niet gevonden maar “het was voor mij een erg vervelende en spannende dag”. (112) Meer dan 50.000 mannen worden als dwangarbeider weggevoerd. Één dag na deze razzia, op 12 november 1944, wordt de zoon van Herman en Tine geboren.

Een naoorlogs artikeltje in een Engelse krant over de huisdoorzoeking tijdens de razzia van 11 november 1944. Uit familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

Herman werkt nog steeds als ambtenaar voor de Kinderwetten maar nu in Delft. (113) Daar kan hij door de slechte verkeersverbindingen niet vaak heen en hij doet vrijwilligerswerk in Rotterdam als hulpinspecteur van de evacuatie-noodtehuizen, die opgezet waren voor dakloos geworden Rotterdammers na het bombardement van mei 1940. Hij heeft nu “weer een kantoor met een telefoonaansluiting”. Ook niet onbelangrijk is dat hij een officieel uitziend document van de Reichskommissar Apeldoorn met zich mee draagt dat hem als medewerker van het Centraal Evacuatie Bureau vrijstelt van de Arbeitseinsatz. Waarschijnlijk is dit papier een vervalsing want zijn geboortedatum is hierop 1903. Dat maakt hem eenenveertig jaar, zes jaar ouder dan hij in werkelijkheid is, en net boven de leeftijd voor de Arbeitseinsatz. (114)

De hongerwinter is zwaar voor het jonge gezin dat weinig te eten heeft en kou lijdt. De kachel in de woonkamer is de enige bron van warmte, “waarop ik ook de suikerstroop uit suikerbieten kook en indamp”, schrijft Herman. Op die kachel wordt ook de warme maaltijd gekookt: “Soep van water met uien, of kool, of verschillende groenten, en daarna een enkele aardappel met groente, alsdaar is kool, uien, bietjes of spruitjes. Op bijzondere dagen is er wel een flentertje vlees op hoogtijdagen, zoals Kerstmis of een verjaardag is er ook wel eens iets toe.” Herman schrijft dit in december 1944 als volwassenen in de Randstad per dag nog maar zo’n 500 calorieën binnenkrijgen. De patiënten van Tine’s praktijk wachten in een ijskoude spreekkamer en bij huisbezoeken ondervindt zij “de hopeloze ellende” van “het uitschakelen van licht en gas bij het onderzoeken van patiënten in hun krotterige woningen”. (115) In een andere brief schrijft Herman dat sommige mensen op straat er als skeletten uitzien. (116)

In zijn brieven aan Emile in Amsterdam schrijft Herman dat er acht mensen in het huis aan de Westerstraat wonen. Naast hem en Tine en de baby is er inwonend personeel en een onderduiker. Het laatste halve jaar voor de bevrijding duikt een Rotterdamse verzetsman onder die zich na de bevrijding “officieel (heeft) kunnen ontpoppen als Compagniecommandant van de NBS en hier in het Centrum veel zwaar en avontuurlijk werk verzet“. (117)

Bevrijding

In Rotterdam verloopt de bevrijding nogal rommelig. De Duitse troepen geven zich op 5 mei niet over, blijven schieten en leveren, versterkt door Nederlandse SS’ers, gevechten met de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Die avond “bleef iedereen na negen uur veilig binnen en luisterde huiverend naar alle geknal en ge-schiet dat vanuit de binnenstad en van over de Maas gedurende de gehele nacht te horen was”. (118) Pas op zondagmiddag 6 mei om half twee vindt Herman het veilig genoeg om de vlag uit te hangen.

Naoorlogse oorkonde voor Herman en Tine voor hulp aan het verzet. Uit familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

Feesten

Direct na de bevrijding is Herman met de padvinderij betrokken bij hulpactiviteiten, feestelijkheden en herdenkingen in Rotterdam. Hij wordt weer hopman bij de Kralingsche Troep. Padvinderij is na de oorlog enorm populair en de Kralingsche Troep groeit in het eerste naoorlogse jaar naar 75 verkenners. Naast alle blijdschap moet hij ook het verlies van zijn moeder verwerken die op 31 oktober 1945 sterft. Hij blijft tot 1970 in verschillende functies betrokken bij de Kralingsche Troep, die zelfs een “Wennigerdag” viert. Hij krijgt een nieuwe baan, niet meer als ambtenaar maar in het bedrijfsleven als personeelschef bij de Gist- en Spiritusfabriek in Delft. (119)

Oorkonde voor hulp bij de Rotterdamse bevrijdingsfeesten. Uit familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

Als er in jaren tachtig van de vorige eeuw plannen zijn voor een boek over Bob Hanf, de kunstenaar die onder de schuilnaam Spinhoven op het Nieuwe Suikerhofje ondergedoken zat en de oorlog niet overleefde, neemt Herman contact op met de mensen die dan op het hofje wonen en ook met zijn vroegere medebewoners. Aan bewoner Clemens Bruehl schrijft hij: “Gaat het je goed? Doe mijn groeten aan Dick Swidde, die ik eens vergeefs heb geprobeerd op te zoeken in het huis, waar hij al in die jaren veertig is gaan wonen. Het zal hem ongetwijfeld ook nog veel zeggen, dat ze nu een speciaal boekje over Bob HANF, bij ons bekend onder de naam van Christiaan Philippus Spinhoven, gaan uitgeven. Hij wàs een heel bijzonder mens”. (120) Tony IJssennagger, die in de oorlog op het hofje woonde, laat Herman weten dat hij tijdens de onderduiktijd van Hanf alleen nog in de weekeinden op het hofje was en “zodoende heb ik Spinhoven dus niet veel meegemaakt en kan weinig zinnigs over hem zeggen”. (121) Uiteindelijk schrijft Herman zelf zijn herinneringen aan Bob Hanf op, die opgenomen worden in de biografie. (122)

Begin jaren vijftig koopt het gezin Maillette de Buy Wenniger een vakantiehuis in Frankrijk. Henk Pelser omschrijft Herman in zijn boek als “de waardige Seigneur van het Château de Saint Martin de las Oumettes”. (123) Op dit slot in Frankrijk sterft Tine in 1985, Herman overlijdt zeven maanden later op 28 juli 1986 in Amsterdam. Daar was hij -al doodziek- door een bevriende Franse buurman naartoe gereden om onderzocht te worden door zijn vriend en arts-internist Henk Pelser. (124)

In 2023 wordt de partituur voor twee piano’s, die Bob Hanf in 1944 als huwelijkscadeau aan Herman en Tine Maillette de Buy Wenniger gaf, ontdekt. Deze wordt door hun zoon geschonken aan de Bob Hanf Stichting. (125)

NOTEN

1. De kapel had officieel geen woonfunctie en krijgt pas na de Tweede Wereldoorlog een huisnummer.

2. Hij heeft een oudere broer, Jan Lucas, die in 1904 geboren wordt maar in 1918 op dertienjarige leeftijd overlijdt.

3. Een chique straat tussen Westplein/Veerhaven en Willemsplein/Erasmusbrug, waar rond 1900 ook een burgemeester van Rotterdam woonde.

4. Wies Blomjous-Maillette de Buy Wenniger, Yad Vashem onderscheiding voor Miny te Winkel (1915-1995) en Willem Maillette de Buy Wenniger (1914-1996), Doopsgezinde Bijdragen, nr. 41, 2015.

5. In Memoriam L. Maillette de Buij Wenniger.

6. Peter Verhoef, ‘Ik voel niet dat ik nuttig ben’: Lucas Maillette de Buy Wenniger, dermatoloog en uroloog te Arnhem (1901-1903), in:  (2012) GEWINA / TGGNWT, volume 19, issue 4, pp. 246 – 26.

7. https://www.ntvg.nl/system/files/publications/1941125610003a.pdf

8. De padvindereed in die tijd is als volgt:

Op de eer van een Verkenner/Padvinder kan men vertrouwen; Een Verkenner/Padvinder is trouw; Het is de plicht van een Verkenner/Padvinder zich nuttig te maken en anderen te helpen; Een Verkenner/Padvinder is een vriend voor allen en een broeder voor alle andere Verkenners/Padvinders; Een Verkenner/Padvinder is ridderlijk; Een Verkenner/Padvinder is een dierenvriend; Een Verkenner/Padvinder weet orders te gehoorzamen zonder tegenspreken; Een Verkenner/Padvinder glimlacht en fluit onder alle moeilijkheden; Een Verkenner/Padvinder is spaarzaam; Een Verkenner/Padvinder is rein in gedachten, woord en daad.

9. https://nl.scoutwiki.org/Lucas_Maillette_de_Buy_Wenniger

Lucas de Buy Wenniger is bestuurslid van de Rotterdamsche Padvindersvereniging en voorzitter van de afdeling Rotterdam van de Vereniging der Nederlandsche Padvinders van 1923 tot 1932.

10. Peter Pieterse, Honderd jaar scoutinggroep de ”Kralingsche Troep” Van verkennerstroep voor Kralingsche jongens, tot gemengde scoutinggroep in Rotterdam-Oost 1918-2018, p. 82.

11. https://nl.scoutwiki.org/Louise_Maillette_de_Buy_Wenniger-Hulsebos

Ze richt in 1912 de “Vereeniging van Rotterdamsche Meisjes Padvinders” (R.M.P.) op en is van 1923 tot 1930 presidente van het “Nederlandsche Meisjesgilde”.

12. Van september 1932 tot januari 1936. Mogelijk onder het pseudoniem Herman Troostveld.

13. Peter Pieterse, Honderd jaar scoutinggroep de ”Kralingsche Troep”. Van verkennerstroep voor Kralingsche jongens tot gemengde scoutinggroep in Rotterdam-Oost 1918-2018, p. 99 en 103-105.

14. Idem, p. 44-45.

15. Weest Paraat, jrg. 24, nr.1, januari 1938. Via Delpher.

16. Roest van Limburg heeft een militaire achtergrond en werkt voor de oorlog bij de Nederlandse Bank. De Nederlandse Bank heeft een gepantserde auto die gebruikt wordt om de leden van de koninklijke familie naar de kust te rijden als ze naar Engeland vluchten. Eerst Kroonprinses Juliana met haar gezin op 12 mei via Velsen/IJmuiden. Roest van Limburg is de chauffeur van de gepantserde auto die Koningin Wilhelmina op 14 mei 1940 kort voor de capitulatie van Nederland van Paleis Noordeinde naar Hoek van Holland rijdt, waar ze inscheept op een torpedobootjager naar Engeland.

Velsen: het vertrek van het prinselijk gezin

https://hvhwo2.wordpress.com/1940-2/13-mei-1940-koningin-en-ministers-vertrekken-naar-engeland-vanuit-hoek-van-holland/

Over J. Faber: https://vrijheid.scouting.nl/~documents/scouts-in-de-oorlog/verzet/verzet-jacob-faber/?layout=file

17. Peter Pieterse, p. 131.

18. Gerard van Lennep, Cappadocië, NRC 14 mei 1994.

19. Verschillende kranten berichten hierover op 31-5-1939. Zie Delpher.

20. De Verkenner, jrg. 25, 1939, no. 10. Via Delpher.

21.  De Hans-Luther-Groep en de Derech Erets-Groep, beide in Amsterdam. Zie: Algemeen Handelsblad 27-4-1939 en 13-12-1939.

22.  Het Archief van de Kralingsche Troep in het stadsarchief van Rotterdam is op het moment gesloten door de COVID-19 pandemie. Veel foto’s uit het archief staan online: https://www.fototime.com/ftweb/bin/ft.dll/usersearchmatches?userid=335EACA923814E069BF7ED7943631591&st=1&match=1939.

Op woensdag 13.12.1939 schrijft Wenniger een brief aan “Beste Nol” met adviezen over het organiseren van het kamp: “Moeten mannetjes als Nico van Esch en Bob Kuyper ook mee? Eigenlijk wel. (…) Nemen we monopoly mee, of gaan we ‘s avonds zitten haken en breien voor de militairen. (…) Er is zoveel te regelen. Eenig gewoon…als je eens wist hoe’n zin ik er in had. (…) Wees hartelijk gegroet, groet ook je ouders.”

Peter Pieterse, Honderd jaar scoutinggroep de ”Kralingsche Troep”. Van verkennerstroep voor Kralingsche jongens tot gemengde scoutinggroep in Rotterdam-Oost 1918-2018, p. 99.

23. https://vrijheid.scouting.nl/scouting-in-de-oorlog/database-bestanden/verzet/1233-verzet-carel-wirtz/file

24. Paraat! Oorlogsdiensten 1940 van Verkenners en Voortrekkers te Amsterdam. Logboek bijgehouden door Joop Kramer. Tekeningen van Henk Pelser. p. 27

25. Peter Pieterse, Honderd jaar scoutinggroep de ”Kralingsche Troep”. Van verkennerstroep voor Kralingsche jongens tot gemengde scoutinggroep in Rotterdam-Oost 1918-2018, p. 150.

26. https://www.fototime.com/ftweb/bin/ft.dll/usersearchmatches?userid=335EACA923814E069BF7ED7943631591&st=1&match=1939.

27. De Telegraaf, 5-9-1940. Via Delpher.

28. Informatie van Simcha von Benckendorff, de dochter van Henk Pelser.

Voor Woerdeman zie het artikel over Henk Pelser op deze website.

https://vrijheid.scouting.nl/scouting-in-de-oorlog/database-bestanden/verzet/2217-verzet-henk-pelser/file

29. Brief van Emile Sindram aan Herman Maillette de Buy Wenniger d.d. 31 januari 1945. Familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

30. Brief van 26 november 1981 van Herman Maillette de Buy Wenniger aan Drs. C.M. Bruehl uit familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

31. Reglement uit privé-archief van Simcha von Benckendorff.

32. Peter Pieterse, p. 130.

Het jaar tevoren, 1940, zijn er al zes oudere jongens geïnstalleerd: Jaap Hudig, Arnold Blitz, Jan van Zwieten, Gerard Bast, Dirk Valstar, A. Hoogendam en Bob Kuyper. Als stamlokaal gebruiken ze dan een ruimte in Hermans ouderlijk huis aan de Westerstraat in Rotterdam die hij zelf nog als stamlid van zijn oude padvindersgroep, Caland, had ingericht. Van de jongens die in januari 1941 in de kapel van het Nieuwe Suikerhofje toegelaten worden tot de stam der Satrapen zijn niet alle namen bekend. Één is Peter Anne Wakkie, die voor verzetsdaden in Neuengamme terechtkomt en de oorlog niet overleeft.

33. Brieven uit Doetinchem van Herman op 6 november 1940 en 4 februari 1941 aan zijn moeder in Rotterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

34. Peter Pieterse, p. 154.

35. NIOD, 244 Europese dagboeken en egodocumenten, 1067 Rutgers van der Loeff, dr. M.

Toke van Helmond, Bob Hanf 1894-1944, De Engelbewaarder/Amsterdam 1982, p. 163.

Voor Roest van Limburg zie noot 16.

36. Brief van wittwe L.C. M. Maillette de Buy Wenniger an den Herrn R.K. Reichs-Minister Dr. Seiss Inquart d.d. 8/5 41. – Rotterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

37. Brief van Antony IJssennagger aan Herman Maillette de Buy Wenniger d.d. 10-11-1981. Uit: familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

38. De geheimen van het studentenklooster, Het Parool, 21-11-1998.

39. Peter Pieterse, p. 153.

40. Brief uit Rotterdam d.d. 21 juli 1942 van Louise Maillette de Buy Wenniger aan Herman Maillette de Buy Wenniger in Doetinchem. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

41. Bob Kuijper woont niet in Kralingen, zoals de meeste van zijn medepadvinders, maar aan de andere kant van Rotterdam in de buurt van Blijdorp. Hij heeft een tweelingzus Celine Johanna (1923-1943), die Lien genoemd wordt, en een drie jaar jongere broer Hans (1927-1983). Bobs vader, Simon Jacob Kuijper (1891-1991) heeft een stoffenwinkel aan de Noordmolenstraat. Hij staat daar samen met de verkoopster Elisabeth Kuijper (1891-1973) ingeschreven, die zijn nicht is. Bob zit als de oorlog begint op de driejarige opleiding van het Radio-instituut Steehouwer in de Graaf Florisstraat 74 in Rotterdam. Waar het gezin Kuyper onderduikt weten we niet. Bob blijft waarschijnlijk wel in Rotterdam. Zijn tweelingzus Lien heeft meerdere onderduikadressen en gaat begin 1943 naar Amsterdam-Zuid. Daar wordt ze opgehaald door Johannes Post, de leider van een groot onderduik- en verzetsnetwerk in het Drentse dorp Nieuwlande. Lien wordt met geblondeerde haren en met valse papieren op de naam Theodora/Thea van Zuylen Posts rechterhand. Zij en Johannes Post worden op 16 juli 1943 gearresteerd en in Apeldoorn gevangen gezet. Post wordt na een mislukte ontsnappingspoging alsnog bevrijd. Lien wordt naar Westerbork gestuurd en op 27 augustus 1943 in Auschwitz vermoord. Bobs vader en zijn jongere broer Hans overleven de oorlog wel.

42. Brief van Herman uit Doetinchem van 18 juni 1942 aan zijn moeder in Rotterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

Voor jongens is er nog een ROG in Amersfoort, voor meisjes in Montfoort. Op het ROG in Montfoort werkte maatschappelijk werkster Lotta Clara Hudig, bewoonster van het hofje in 1941, voor de oorlog.

43. Op een foto uit eind jaren dertig, dus een paar jaar voor Herman er komt werken, staan jongens uit de Kruisberg, in uniform, tijdens een uitstapje naar de dierentuin met een begeleider (J.H. Renting 1911-2005) die ook rechten gestudeerd had. Uit: Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers, 0531-Collectie Renting te Megchelen, Gendringen, 1928-1940.

44. Brief van Herman uit Doetinchem van 5 mei 1942 aan zijn moeder in Rotterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

45. https://bos-rotterdam.nl/verhalen/zeemanshuizen

46. Brieven van 2 en 7 mei 1942 van Louise Maillette de Buy Wenniger uit Rotterdam aan haar zoon Herman in Doetinchem. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

Inwoners van Aalten hadden in 1940 ook kinderen uit het gebombardeerde Rotterdam opgenomen. Mei 1942 is vrij vroeg voor de onderduik van een Joods kind. Het is dus ook mogelijk dat het bij dit “Valkenierse kind” om een stads “bleekneusje” gaat.

Brief uit Rotterdam van G.B.J. Valkenier aan Dr. Wenniger d.d. 15 juni 1944.

47. https://www.welzijnzeevarenden.nl/wp-content/uploads/Klik-hier-voor-het-boek-In-veilige-haven-.pdf p.71-78

48 Brief van Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos uit Rotterdam d.d. 21 juli 1942 aan haar zoon Herman in Doetinchem. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

49. Brief van Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos uit Rotterdam d.d. 12 juni 1942 aan haar zoon Herman in Doetinchem. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

50. Brief van Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos uit Rotterdam d.d. 21 juli 1942 aan haar zoon Herman in Doetinchem. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

51. Brief van 8 februari 1943 uit Amsterdam van Herman aan zijn moeder in Rotterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

In september 1944 wordt De Kruisberg gevorderd wordt door de Duitsers. Er komt dan een SD-gevangenis in het gebouw, waar talloze verzetsmensen en geallieerden als “Todeskandidaten” vastzitten en als represaille gefusilleerd worden na aanslagen van het verzet.

52. Brief van Herman uit Doetinchem aan zijn moeder in Rotterdam d.d. 18 en 21 december 1942. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

53. Het Pro Juventute zomerkamp wordt genoemd in een brief van Arnold Blitz uit Rotterdam aan Herman, d.d. 21.4.1942.

54. Brief van Herman uit Doetinchem d.d. 24/26 mei 1942 aan zijn moeder in Rotterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

55. Zie het artikel over Vica en Margreet Taselaar-Pro Juventute op deze website.

56. In Amsterdam zijn het 2.432 kinderen in 1938 en 3.792 kinderen in 1943.

M.J. Rietveld-Van Wingerden, Kinderbescherming in oorlogstijd: voogdijvereniging Tot Steun, 2 dec 2019.

57. Jan-Paul Verkaik, Voor de jeugd van tegenwoordig. Kinderbescherming en jeugdhulpverlening door Pro Juventute in Amsterdam 1896-1994, Utrecht 1996, p. 62-63.

58. Groninger Archieven-2183-Systeemkaarten van verzetsbetrokkenen (OVCG)-Henk Stouten.

59. De documenten hierover in het Stadsarchief Amsterdam zijn gesloten tot 2050. 181: Inventaris van het Archief van de Vereniging Pro Juventute. 2.2.1.2.1.-227 Van en aan Jongenshuis Hillegom, 1943-1945.

60. Margreet Taselaar, Jaap Koekebakker, Leo van der Hulst en Betty Spaander hadden allemaal onderduikers in hun eigen woning. Zie hiervoor het artikel over Vica Taselaar op deze website.

61. Yad Vashem Schreinemachers (Matthes), Louise: https://righteous.yadvashem.org/?search=Matthes&searchType=righteous_only&language=en&itemId=4017397&ind=0

62. Wies Blomjous-Maillette de Buy Wenniger, Yad Vashem onderscheiding voor Miny te Winkel (1915-1995) en Willem Maillette de Buy Wenniger (1914-1996) in Doopsgezinde bijdragen, Themanummer: Doopsgezinden tijdens de Tweede Wereldoorlog, Nieuwe Reeks nr. 41 (2015), Amsterdam, doopsgezinde historische kring p. 381-384. 

63. De moeder van Wies Matthes was de twee jaar oudere zus van de moeder van Willem en Herman. Wies heette Louise Christine Marianne, geboren 1916 in Laren. Ze had een baan als maatschappelijk werkster in Hengelo en woonde daar samen met Bep ter Braak uit Eibergen die ook maatschappelijk werkster was. Zowel daar als in haar ouderlijk huis in Blaricum doken mensen onder. Wies trouwde direct na de oorlog met Willem Jan Hubertus (Wim) Schreinemachers (1910), die op 8-9 oktober 1943 gedropt was door Bureau Inlichtingen (Zendgroep Barbara-radiotelegrafist/marconist, Groep Harry). Op 5 september 1944 ging hij via Spanje terug naar Engeland.

64. Wies Blomjous-Maillette de Buy Wenniger, Yad Vashem onderscheiding voor Miny te Winkel (1915-1995) en Willem Maillette de Buy Wenniger (1914-1996) in Doopsgezinde bijdragen, Themanummer: Doopsgezinden tijdens de Tweede Wereldoorlog, Nieuwe Reeks nr. 41 (2015), Amsterdam, doopsgezinde historische kring p. 381-384.

65. Idem.

66. Joop Troeder, Een geschiedenis in Laren 1928-1945, Amsterdam, augustus 2008, 2011. Troeder vertelt het verhaal van zijn jeugd en onderduik in Laren in tekeningen. Hij tekent o.a. een plattegrond van de Blokhut.

67. Idem.

68. Idem.

69. Wies Blomjous-Maillette de Buy Wenniger, Yad Vashem onderscheiding voor Miny te Winkel (1915-1995) en Willem Maillette de Buy Wenniger (1914-1996) in Doopsgezinde bijdragen, Themanummer: Doopsgezinden tijdens de Tweede Wereldoorlog, Nieuwe Reeks nr. 41 (2015), Amsterdam, doopsgezinde historische kring p. 381-384.

Misschien heeft deze arrestatie ook te maken met het verbod van de padvinderij en de arrestatie van de leiders.

70. Yad Vashem Hardenbroek van Machteld: https://righteous.yadvashem.org/?search=Hardenbroek&searchType=righteous_only&language=en&itemId=4015211&ind=0

71.  L. De Jong, Koninkrijk, deel 6-2, p. 718 en 727.

Zie ook: https://oudlisse.nl/historie/de-steenfabriek-de-arnoud-in-de-oorlog/

72. Zie het artikel over de SD inval van april 1943 op deze website.

73. Briefje van Herman Maillette de Buy Wenniger aan J. Werre, Harddraverslaan 15, Santpoort, midden april 1943.

Brief van Jaap Kalff aan mevrouw Wenniger, d.d. 9 april 1943. Kalff stelt als advocaat Mr. de Pont voor: “De enige advocaat in Amsterdam die volkomen betrouwbaar is en goed geïntroduceerd bij de verschillende Duitse instanties”.

Beide brieven uit familie-archief Maillette de Buy Wenniger

74. Stadsarchief Rotterdam, Arrestantenkaarten.

75. Brieven van Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos uit Rotterdam d.d. 2 en 12 maart aan haar zoon Herman in Amsterdam. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

76. Toke van Helmond, Bob Hanf 1894-1944, Amsterdam 1982, p. 163.

77. Brief van 18 februari 1946 van H.E. Maillette de Buy Wenniger aan C.N. Willemse uit familie-archief Maillette de Buy Wenniger.

78.  https://vrijheid.scouting.nl/scouting-in-de-oorlog/database-bestanden/verzet

In deze website is sprake van een arrestatie in 1943. Dit blijkt niet te kloppen. Volgens recente informatie van Edward Grasman in het artikel “Het RKD tijdens Stakenburg (1942-1945)” werd Stakenburg (en waarschijnlijk ook Wirtz) gearresteerd op 25 april 1944 op het Nieuwe Suikerhofje. zie: rkddb.rkb.nl/digital_book/202003132.pdf

79. https://www.stichtingargus.nl/bvd/in/vrvr.pdf

80. Voor Lien van Beverwijk zie het artikel over Henk Pelser op deze website. Haar verloofde, de Joodse arts Albert Sidney (Ab) Groen ligt in 1942 met tuberculose in een sanatorium in Bilthoven. Lien neemt contact op met haar studievriendin, Nellij Eskes-Buis, die met haar man Dirk op de Veluwe ondergedoken zit. Via Nellij regelt Lien eind 1942 een onderduikplek voor Ab Groen in Kruimels huis in Garderen.

De omgekeerde weg van Garderen naar Amsterdam gaat de Duits-Joodse scholier Klemens Brühl (1925-1986), die op de quakerschool Kasteel Eerde in Ommen zit. Hij komt met de hulp van een bevriende boer uit Ommen terecht in Kruimels huis in Garderen. Daarna duikt hij onder in Amsterdam. Het is onduidelijk of hij ook op het Nieuwe Suikerhofje ondergedoken zit. Wel moet hij contacten in de verzetskringen rond het hofje hebben gehad want hij woont direct na de bevrijding officieel op het hofje.

81. Memoires van Yvo Pannekoek, Amsterdam 1982.

https://dbnl.org/tekst/_lib001194801_01/_lib001194801_01_0015.php

Hij noemt Vica “F.” (ze wordt ook wel Fieke of Fika genoemd). “Groet allen, vooral F. en de haren”, p. 49. M’n kampvriendinnetje F. (…) ze zal nu wel weer op het hofje zijn”, p. 59.

82. Peter Pieterse, p. 85-88.

83. Gerard van Lennep, Cappadocië, NRC 14 mei 1994. “Hopman Wenniger zei altijd als hij het tentje van Jaap Hudig zag staan (het kleinste tentje ter wereld): “Wie laat nou toch weer die broodzak slingeren.”

84. Zie de artikelen “Vica Taselaar” en “Lotta Clara en Britta Hudig” op deze website.

85. Toke van Helmond, Bob Hanf 1894-1944, p. 163.

86. https://www.museumalkmaar40-45.nl/alkmaar-in-wo2/jodenvervolging/joodse-bevolking-alkmaar/79-gedempte-nieuwesloot

87. https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn512184

Voor het uitgebreide verhaal over deze onderduik zie de informatie over Antoinette Wentholt in het artikel “Onderduikers” op deze website.

88. Waarschijnlijk in 1940 in Rotterdam samen met Jaap Hudig, Jan van Zwieten, Gerard Bast, Dirk Valstar, A. Hoogendam en Bob Kuyper. Van de padvinders die in januari 1941 in Amsterdam in de kapel van het Nieuwe Suikerhofje geïnstalleerd worden weten we niet alle namen. Één is Peter Anne Wakkie, die de oorlog niet heeft overleefd.

89. Arrestantenkaart Felix Raphaël Pierot, Stadsarchief Rotterdam

90. Brief van Louise Maillette de Buy Wenniger-Hulsebos uit Rotterdam d.d. 12 juni 1942 aan haar zoon Herman in Doetinchem. Uit familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

91. Brieven van Arnold Blitz aan Herman Maillette de Buy Wenniger, d.d. 21 april 1942 en 28 september 1942. Familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

92. Stadsarchief Rotterdam Arrestantenkaarten voor Theodora Witstein en Izaäk Blitz.

93. https://digitaalmonument.museumengelandvaarders.nl/media/documents/verhoorverslag-hans-julius-van-dam2920.pdf

94. http://www.stolpersteine-dordrecht.nl/Arnold_Blitz.html

Voor meer over de vluchtlijn naar Zwitserland zie het artikel over Henk Pelser op deze website.

95. Zie Pelsers boek: Henk E. Pelser, Vluchtweg Zwitserland. Verhalen uit een ondergronds verleden, Amsterdam 1996.

96. Voor Carel Blazer zie het artikel over de Oud-Spanjegangers op deze website.

97. De Speelmans worden genoemd in Pelsers Yad Vashem onderscheiding.

Interview Gregory McKay: https://www.youtube.com/watch?v=gRY_XGOScWg

Gregory McKay is Willem Arnold Speelman, de acht maanden oude baby die door zijn ouders in een zwarte draagtas naar Zwitserland gebracht werd.

98. Vluchtweg, p. 105.

99. Vluchtweg, p. 86.

Claims Resolution Tribunal in Re Holocaust Victim Assets Litigation Case No. CV96-4849.

Marguerite Ady Flore (Margot) Wolf-Nijst (1911-na 2009). Fernand Wolf (1910-1943) wordt op 3 december 1943 doodgeschoten als hij probeert te ontsnappen uit een vrachtwagen die door de Duitsers wordt gestopt. Hun adres, Avenue Louise/Louizalaan 142 in Brussel, wordt door Pelser gebruikt als onderduikadres in Brussel.

100. http://www.stolpersteine-dordrecht.nl/Arnold_Blitz.html

Waarschijnlijk is dit een echt persoonsbewijs. Er is een Remi de Caluwé die de juiste leeftijd heeft (geboren 1921) en die tijdens de oorlog onderwijzer is in Sinaai, een dorp in de provincie Oost-Vlaanderen: https://www.davidsfondssinaai.be/index.php/geschiedenis?start=4

Volgens https://collections.arolsen-archives.org/en/search/person/4097268?s=Remi%20Caluwe&t=1764&p=7 werd Remi de Caluwe op 2-1-1921 geboren en wonen zijn ouders in Gent.

101. Vluchtweg, p. 105.

102. https://www.youtube.com/watch?v=gRY_XGOScWg

103. Vluchtweg, p. 106.

104. Idem.

105. http://www.stolpersteine-dordrecht.nl/Arnold_Blitz.html

106. Dit blijkt uit zijn kaart bij de Joodse raad: https://collections.arolsen-archives.org/en/archive/130261170/?p=1&s=Arnold%20Blitz&doc_id=130261170

107. Peter Pieterse, p. 172.

108. http://www.stolpersteine-dordrecht.nl/Arnold_Blitz.html

109. https://nl.scoutwiki.org/Wereldjamboree_1937

Hij staat onder “medewerkers aan de voorbereiding” als verantwoordelijk voor “commerciële aangelegenheden”.

110. Nadat Mathieu Smedts in november gearresteerd wordt in Brussel stijgen de prijzen van de passeurs naar 9000 gulden. Voor oktober is geen precieze prijs bekend.

Henk E. Pelser, Vluchtweg Zwitserland, p. 86.

111. https://www.jewishgen.org/databases/Holocaust/0231_Swiss_arrivals.html

112. Brief van Herman in Rotterdam aan zijn moeder in Blaricum d.d. 16 november 1944. Familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

113. Waarschijnlijk zijn er verzetscontacten tussen Pro Juventute Amsterdam en Pro Juventute Delft. In ieder geval duikt er minstens één Joods kind via Pro Juventute Amsterdam (Bert van Veen) onder in Delft.

114. Brief van 25 december 1944 van Herman aan Emile en Ada Sindram. Uit: familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

115. idem.

116. Lange getypte brief van Herman in Rotterdam aan zijn moeder in Blaricum d.d. 24/27/29 april 1945. familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

117. Brief van Herman in Rotterdam aan familie in Blaricum, d.d. 15 mei 1945. familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

118. Lange getypte brief van Herman in Rotterdam aan zijn moeder in Blaricum d.d. 24/27/29 april 1945. familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

119. Henk E. Pelser, Vluchtweg Zwitserland, p. 216.

120. Brief van Herman aan Drs. C.M. Bruehl, d.d. 26 november 1981. Familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

121. Brief van Antony IJssennagger aan Herman Maillette de Buy Wenniger d.d. 10-11-1981. Uit: familiearchief Maillette de Buy Wenniger.

122. Toke van Helmond, Bob Hanf 1894-1944, De Engelbewaarder/Amsterdam 1982, p. 158-165.

123. Henk E. Pelser, Vluchtweg Zwitserland, p. 216.

124. Mondelinge informatie van Simcha von Benckendorff, de dochter van Henk Pelser. 23 maart 2023.

125. http://www.bobhanf.nl