Joods Verzet

De jonge bewoners van het Nieuwe Suikerhofje beginnen bijna allemaal in de loop van 1941 met het (laten) vervalsen van persoonsbewijzen. Alle Nederlanders vanaf 15 jaar zijn vanaf april 1941 verplicht om een persoonsbewijs bij zich te hebben. Joodse burgers krijgen er al snel twee grote letters J in gestempeld, die heel moeilijk te verwijderen zijn. Vroege verzetswerkers, zoals de bewoners van het hofje, zoeken in de loop van 1941 al naar persoonsbewijzen zonder J, die voor Joden vervalst kunnen worden. Vaak stelen ze die, waarbij ze erop letten dat het geslacht en de leeftijd van wie ze het PB stelen past bij degene voor wie het vervalst wordt.

De hele bezetting door is het -bijzonder moeilijk te vervalsen- persoonsbewijs voor de bezetter een effectief administratief middel ter controle en opsporing: van Joden, van verzetsmensen en van mensen die in Duitsland tewerkgesteld worden. Omdat de vervalsingen steeds beter worden en de vervalsers ook moeten reageren op betere detectie-technieken van de Duitsers, blijft het vaak niet bij één vals PB maar probeert men een voor dat moment zo goed mogelijke vervalsing te hebben. Sommige dragers van een vals PB worden door ambtenaren ook nog “rondgezet”. Dat betekent dat op het stadhuis een persoonskaart met de valse gegevens in de kaartenbak geschoven wordt. Dit gebeurt vanaf ongeveer 1943.

Rond die tijd beginnen ambtenaren ook met het onder de toonbank doorgeven van blanco persoonsbewijzen, die door vervalsers ingevuld kunnen worden. Ook bij overvallen op distributiekantoren worden blanco PB’s buitgemaakt en sommige verzetsgroepen lukt het in 1942 al om zelf passabele PB’s te drukken.

Hoewel ze in de begintijd vaak nog zelf vervalsen, hebben de illegale werkers op het Nieuwe Suikerhofje al snel contacten met “professionele” vervalsers, fotografen, drukkerijen en ambtenaren en kunnen ze snel en goed “maatwerk” leveren. Het hofje is dan ook tijdens de hele bezetting een aanlooppunt geweest voor mensen die valse persoonsbewijzen en ander vals drukwerk komen brengen en halen.

Opvallend in de verhalen van de bewoners van het hofje is dat Joodse mensen, die van hen valse papieren krijgen, vaak in het verzorgingsverzet mee gaan helpen. Deze mensen duiken dus niet onder maar gaan met hun valse persoonsbewijs de straat op en helpen bij het verzorgen van onderduikers. Eind 1944 zijn er in Amsterdam 41 groepen die Joodse onderduikers helpen en die Vrije Groepen Amsterdam (VGA) genoemd worden. Van de ongeveer 350 illegale werkers in de VGA is twintig procent Joods.

Niet-Joodse verzetsmensen die door de Duitsers opgepakt worden, kunnen rekenen op gevangenisstraf in het Oranjehotel of de kampen Amersfoort en Vught. Joodse verzetsmensen worden direct naar Westerbork gestuurd en komen daar in de strafbarak, wat betekent dat ze met de eerstkomende trein naar de vernietigingskampen gaan – een vrijwel zekere dood tegemoet.

Jolanthe Arato: fietsen naar onderduikers op boerderijen

Uit na-oorlogse interviews komt de naam van een jonge Hongaars-Joodse vrouw naar voren, Jolanthe Arato/Yehudit Taube-Aufrichtig (1914-2003), die door bewoner Dick van Stokkum geholpen wordt aan valse papieren waarmee ze over straat kan. (1) In ruil daarvoor helpt zij hem met het brengen van distributiebonnen naar ondergedoken Joden op boerderijen buiten Amsterdam.

Jolanthe Arato is vijfentwintig als ze in 1939 voor het toenemende anti-semitisme in Hongarije naar Amsterdam vlucht. Haar moeder, broer en zus blijven in Hongarije. (2) Ze vindt werk als kindermeisje bij het Joodse gezin Reiner in Amsterdam-Zuid. Jolanthe’s tante, een zus van haar moeder, is getrouwd met de Amsterdamse hoogleraar Géza Révész (1878-1955) en hij staat garant voor haar. (3)

Net als bijna alle 157.000 Joden in Nederland staat Jolanthe in 1941 in de rij als Joodse mensen zich moeten laten registreren. Ze wacht samen met haar vriendin Mimi Weismeyer (1906-1943), die ook een Hongaars paspoort heeft. Mimi, die wat ouder en wereldlijker is vraagt zich af: “waarom staan we hier? We hoeven niet te zeggen dat we Joods zijn.” Maar Jolanthe wil koste wat het kost “legaal blijven”.  (4)

Later heeft ze spijt dat ze niet heeft gezegd dat ze half-joods is, want nu heeft ze twee J’s in haar persoonsbewijs. Daarom vraagt ze hulp van Dick van Stokkum om een vals PB zonder J te krijgen. Ze leert Dick via-via kennen en krijgt minstens twee keer valse papieren van hem. Ze heeft o.a. een vervalst PB zonder J op naam van Greta de Jong. (5) Ze duikt niet onder. Ze blijft werken, eerst als schoonheidsspecialiste in een salon en daarna bij mensen aan huis.

Dick van Stokkum

Om haar heen verdwijnen er steeds meer Joodse vrienden en kennissen. De familie Reiner waar ze in dienst was wordt gedeporteerd en naar later blijkt in Auschwitz vermoord. Hongaarse Joden hebben een bijzondere positie in Nederland. Hoewel Hongarije een bondgenoot van Hitler is, worden Joden in Hongarije tot maart 1944, als Duitsland Hongarije bezet, niet naar de vernietigingskampen gestuurd. Hongaarse Joden in Nederland hoeven geen ster te dragen en in 1943 krijgen 89 Hongaarse Joden toestemming om met speciale treinen naar Hongarije te gaan, dat op dat moment nog een vrij land is. De Hongaarse consul in Nederland, wiens vrouw een van Jolanthe’s klanten is, helpt Jolanthe bovendien aan een nieuw Hongaars paspoort waarin haar religie (Israelita) niet vermeld is. (6) In haar interview noemt Jolanthe de treinen naar Hongarije niet. Zij blijft in Amsterdam. 

Als Dick van Stokkum haar een PB zonder J geeft vraagt hij haar om hem te helpen door distributiebonnen naar ongeveer twintig Joodse onderduikers te brengen die buiten Amsterdam op boerderijen zitten. (7) Zij fietst de onderduikadressen af en brengt de distributiebonnen en andere papieren. Dick zegt haar de bonnen liever direct aan de onderduikers zelf te geven en niet aan de boer. Over de ondergrondse zegt ze dat die “streng gecontroleerd” is en opgedeeld in cellen, niemand kent meer dan één of twee andere mensen.

Dick van Stokkum geeft haar ook instructies in illegale techniek: Hoe ze een Duitse agent in burger kan herkennen. Wat te doen bij een straatcontrole (aanbellen bij een willekeurig huis en naar mevrouw van Dam vragen. Daarna de andere kant op lopen, weg van de controle). Ze zegt dat haar leven in de illegaliteit “erg uitputtend, stressig en veeleisend” is: “Het vreet aan je zenuwen”.

Uiteindelijk loopt ze in de val van een verraadster, Antonia (Tonny) Evers. (8) Die sluit vriendschap met haar, palmt haar in met lekker eten en beloftes van goede PB’s. Omdat Jolanthe’s Hongaarse vriendin Mimi Weismeyer eind 1943 aan geelzucht sterft, is Jolanthe op zoek naar vriendschap. (9) Jolanthe kan haar volgende (betere) valse persoonsbewijs niet meer bij Dick van Stokkum krijgen want die zit van april tot december 1943 gevangen na een inval op het Nieuwe Suikerhofje begin april. Hij is daarna maar vier maanden vrij want hij wordt eind april 1944 voor de tweede keer gearresteerd, dan zit hij waarschijnlijk tot oktober 1944 vast. (10) Daarom gaat Jolanthe Arato op 6 juni 1944 naar het huis van Antonia Evers om, naar ze denkt, een nieuw PB op te halen.

Op de hoek van de Schubertstraat staat een man in een beige regenjas die ze niet vertrouwt. Ze ziet hem echter niemand controleren en denkt dat ze te achterdochtig is. Ze loopt door en wordt dan door deze SD-agent opgepakt en naar het Adama van Scheltemaplein gebracht. Daar werkt in een door de Duitsers gevorderde school de Colonne Henneicke, een groep jodenjagers. Verraders van Joden krijgen hier betaald voor de aangebrachte mensen, die in het gymnastieklokaal opgesloten worden. Jolanthe wordt in een ander lokaal onder sterke lampen verhoord en mishandeld, er worden twee tanden uit haar mond geslagen. Ze zit daarna een tijdje in de gevangenis aan de Weteringschans totdat er genoeg mensen zijn voor een transport naar Westerbork. (11) Ze beschrijft een gewaarwording die veel verzetsmensen in die tijd hebben, als ze opgepakt worden: “Opluchting dat ik niet meer verantwoordelijk ben voor mijn lot. Ik heb mijn uiterste best gedaan, er is niets meer wat ik kan doen”.

Haar Hongaarse nationaliteit beschermt haar nu niet meer. Duitsland is maart 1944 Hongarije binnengevallen en de Joden in Hongarije worden genadeloos vervolgd en vermoord. In een paar weken tijd worden vanuit Hongarije een half miljoen Joden naar de vernietigingskampen gedeporteerd. Jolanthe Arato gaat via Westerbork naar Ravensbrück. Hoewel ze Joods én politiek gevangene is lukt het haar te overleven en ze wordt na de bevrijding met een groep Nederlandse vrouwen naar Zweden gebracht. Vandaar komt ze terug naar Nederland. Ze trouwt later met Samuel Taube (1914-2008), een wereldberoemde cantor, en emigreert naar Israel.

Sien Spier: MAKVI – een eigen verzorgingsgroepje

Nog actiever in het verzorgingsverzet is Sien Spier (1896-1982). Vanaf medio 1942 tot aan de bevrijding gaat ze met een vervalst persoonsbewijs de straat op en verzorgt zo’n twintig onderduikers, volwassenen en kinderen, die voornamelijk in Amsterdam ondergedoken zitten. Samen met twee andere illegale werkers heeft ze een verzorgingsgroepje dat MAKVI heet.

Sien is een vroegere collega van hofjebewoner Vica Taselaar. Ze werken aan het begin van de bezetting allebei op de Buitenrustschool in Haarlem. Sien wordt door de anti-Joodse maatregelen tegen ambtenaren in november 1940 ontslagen. Nadat ook de Joodse kinderen in september 1941 alleen nog naar Joodse scholen mogen, werkt Sien vanaf het voorjaar van 1942 met drie Joodse collega’s op de Joodse Lagere School in Haarlem. Deze vier onderwijzers duiken uiteindelijk allemaal onder en overleven de oorlog. Maar voordat Sien onderduikt doet ze eerst nog iets anders. Ze trouwt op haar vijfenveertigste met de niet-Joodse zoon van vrienden uit Haarlem. Jacobus (Ko) Tersmitten (1903-1989) is zeven jaar jonger dan Sien en homoseksueel. Na dit schijnhuwelijk op 21 maart 1942 is Sien gemengd gehuwd en daarmee iets veiliger. (12)

Foto van Sien Spier via Miriam Rosenbloom

In de zomer van 1942 zoeken Sien en Vica een onderduikplek voor een nichtje van Sien. Roberta Spier (1924-2012) krijgt een oproep om zich te melden voor “tewerkstelling in het oosten”. Sien stuurt Roberta’s moeder een brief: “Niets doen, niets tekenen, stuur haar naar mij”. Daarna wordt Roberta zonder ster op door de buurman met de trein van Overijssel naar Haarlem gebracht. Het is dan augustus 1942. Roberta is voor ze onderduikt een week bij haar tante in Haarlem. Roberta zegt wel dat Sien vrij snel daarna ook zelf onderduikt in Amsterdam. (13)

Sien en Vica vinden voor Roberta een plek bij Jan en Helena (Leentje) Thomassen-van der Kooij in Haarlem. Jan is leraar scheikunde, Leentje heeft de tekenacademie gedaan en maakt vervalsingen, pasfoto’s en vingerafdrukken voor valse documenten. Roberta zegt over hen: “Ze zouden hun leven hebben gegeven om mensen te helpen”.

Hun huis heeft een erker met veel glas: “Je kon bij elkaar naar binnen kijken”. Bovendien is de buurman een NSB’er. Naar de buitenwereld toe wordt Roberta dus het dienstmeisje met valse papieren op naam van Willy Heistra uit Velsen. Ook Roberta steelt voor het verzet persoonsbewijzen uit tasjes, vooral in de zomer als ze naar het zwembad gaat. Later krijgt ze zelf een beter persoonsbewijs, een echte waarbij ook de vingerafdruk klopt, op naam van Klazina Visser uit Overijssel. Die naam en achtergrond passen ook beter bij haar eigen afkomst.

Na Roberta is het de beurt aan Sien om onder te duiken. Ze voelt zich toch niet veilig genoeg als gemengd gehuwde en vindt aan het begin van de herfst 1942 onderdak bij haar vroegere collega Vica Taselaar op het Nieuwe Suikerhofje. Vica woont sinds januari 1942 op het hofje en zal Sien verteld hebben over haar nieuwe woning, die verstopt ligt in de grachtengordel, en over haar betrouwbare medebewoners, die allemaal in het verzet zitten. Sien krijgt een vals persoonsbewijs en draagt geen ster. Sien en haar echtgenoot Ko gaan Vica helpen met het bezorgen en vervalsen van PB’s. Tersmitten vraagt deze aan “vrienden en zakenrelaties” of steelt ze en geeft ze aan Vica. Sien blijft binnen en helpt met het vervalsen van deze persoonsbewijzen. Van Vica of haar jongere zus Margreet krijgt Ko Tersmitten ook levensmiddelenbonnen voor Joodse onderduikers, die hij dan rondbrengt naar de verschillende onderduikadressen. (14)

Vica Taselaar en Dick van Stokkum in een kamer op het Nieuwe Suikerhofje.

Vica vertelt na de oorlog wat over de onderduik van Sien: “Betrokkene kwam persoonlijk langs bij mij om hulp te vragen. Betrokkene dook bij mij onder (Suikerhofje) en hielp bij ’t vervalsen van persoonsbewijzen ’41 tot ongeveer ’42 waarna betrokkene zelfstandig ging wonen op een door onze groep onder andere naam gehuurde woning (Prinsengracht 54).” (15)

Vervolgens huurt Sien “legaal” een woning op de derde verdieping van Prinsengracht 72. Ze heeft nu perfecte valse papieren, die ook zijn “rondgezet” en huurt haar woning onder de valse naam op haar persoonsbewijs: Maria Johanna Dumont. Haar roepnaam is Miep. Op dat valse PB is voor een geboorteplaats in Nederlands-Indië gekozen met ouders die ook in Nederlands-Indië geboren zijn. Dat is handig omdat de Duitsers geen bevolkingsregisters in Nederlands-Indië kunnen raadplegen. Ook is Sien Spier op haar valse papieren negen jaar jonger dan in de werkelijkheid. (16)

De rondgezette persoonskaart van Sien Spier. Het “Valsch” is er na de oorlog opgeschreven. Behalve haar laatste adres op de Prinsengracht 72 klopt niets op deze kaart. Siens echte geboorteplaats is Avereest in Overijssel en haar echte ouders heten Meyer Spier en Saartje Spier-Hemelrijk, allebei in 1857 geboren. Als Sien op straat aangehouden en ondervraagd zou worden moet ze al deze valse gegevens paraat hebben. SAA Archiefkaarten.

Vanaf de Prinsengracht 72 zet Sien nu onder haar schuilnaam Miep Dumont een eigen verzorgingsgroepje op. Vica Taselaar wordt begin april 1943 op het hofje door de Sicherheitsdienst gearresteerd en zit tot midden november van dat jaar gevangen. Waarschijnlijk verzorgt Sien in die tijd Vica’s onderduikers en mogelijk ook die van Vica’s jongere zus Margreet. Die zit namelijk van maart 1943 tot april 1944 in Kamp Vught. In het laatste halve jaar van de bezetting is Vica koerierster bij een Amsterdamse knokploeg en heeft geen tijd voor verzorgingswerk. Ook dan verzorgt Sien de onderduikers. Sien geeft na de oorlog op dat ze “aangesloten was bij de groep Taselaar”. Een andere verzetsman getuigt dat Sien: “Natuurlijk aan het intensieve verzetswerk van Vieka Taselaar intensief meegewerkt heeft”. (17)

Uit gesprekken met familieleden van Sien krijg ik de indruk dat Sien een energiek mens was en dat onderduiken en binnen blijven haar niet lagen. Voor de oorlog nam ze naast haar baan als onderwijzer actief deel aan het maatschappelijk leven in Haarlem. Ze was lid van en trainer bij een roeiclub en in 1933 -het jaar dat Hitler in Duitsland aan de macht komt- roeide ze met twee andere clubleden in dertien dagen 600 kilometer van Speyer in Duitsland naar Haarlem. (18)

Siens verzorgingsgroep heet MAKVI. Dit is de naam die Vica eerder aan haar verzorgingsgroepje gaf. MAKVI staat voor Margreet Taselaar, Karel de Vries (vriend van Margreet) en Vica Taselaar. (19) De twee medewerkers die Sien vindt, om met z’n drieën het werk van Margreet, Karel en Vica voort te zetten, zijn een niet-Joodse onderwijzeres en een Joodse reclame-man. Helena Gezina Grosmann (1905-na 1993) woont op de Rozengracht en werkt op een lagere school in Koog-Zaandijk. Jacob Matthijs Hakkert (1908-1962), afkomstig uit een Joods slagersgezin uit Vianen, woont voor de oorlog in Den Haag. Hij is op een gegeven moment waarschijnlijk ondergedoken maar gaat met een vals persoonsbewijs op naam van Pieter van Laack ook verzorgingswerk doen. Zijn oudere zus Rosa de Vries-Hakkert (1902-2003) is één van de onderduikers die door dit MAKVI-groepje verzorgd wordt. (20)

Rosa de Vries-Hakkert zit ondergedoken op de Stadionweg 9 in Amsterdam bij het jonge gezin van Helden-de Vries waarvan de man niet-Joods en de vrouw Joods is. Rosa’s zoons, geboren in 1929 en 1933, zitten in Vlaardingen ondergedoken en overleven de oorlog. Rosa’s man Max de Vries (1900-1943) wordt eind februari 1943 opgesloten in kamp Vught omdat hij geen ster draagt. Via Westerbork wordt hij op 4 mei op transport naar Auschwitz gezet en daar vermoord.

Het MAKVI-groepje verzorgt verder nog twee Joodse echtparen in Amsterdam. Het in 1942 getrouwde Amsterdamse paar David (Davy) Kukenheim (1915-2014) en Rozette (Ro) Kukenheim-Voet (1920-2017) zit de laatste oorlogsmaanden op de Nicolaas Maesstraat 109 met goede vervalste persoonsbewijzen onder de namen Dick Koremans en Rie van Engelen. Zo kunnen ze de straat weer op, wat op hun eerdere onderduikadres niet kon. Ze hadden vanaf eind juli 1942 in onderduik gezeten bij het gezin Overberg in de Jan van Eijckstraat 16-boven, tegenover een gebouw van de Joodse Raad. (21)

Een echtpaar uit Goor in Overijssel, dat in 1936 uit Duitsland gevlucht is, zit ondergedoken op een zolderkamer aan het Cremerplein 30. Erich Stern (1906-1971) spreekt Nederlands met een accent en heeft geen vals persoonsbewijs, daarom blijft hij binnen. Zijn vrouw Ilse Stern-Katzenstein (1910-1992) spreekt goed Nederlands en heeft een vals PB. Zij kan wel naar buiten en verdient zelfs wat bij. Net als Rosa Hakkert heeft dit echtpaar twee jonge kinderen, dochters geboren in 1938 en 1941. Deze twee meisjes overleven in onderduik in Hengelo. (22)

De drie laatste door MAKVI verzorgde onderduikers zijn een weduwe en twee jonge vrouwen. Else Hausmann-Stein (1886) is net als het gezin Stern in 1936 van Duitsland naar Nederland gevlucht. Zij duikt onder op de Admiraal de Ruyterweg 292. Haar volwassen zoon Kurt (1909-1978) duikt in juni 1943 ook op een andere verdieping van dit huis onder. Hij schrijft kort na de oorlog over de onderduikgevers van zijn moeder: “Aardige mensen, die tot op de dag van vandaag goed voor moeder gezorgd hebben. Dat wil zeggen, ze deelden alles wat ze hadden met moeder, maar soms hadden ze zelf behalve suikerbieten niets”. Kurt is ook overwegend tevreden over het verzorgingswerk van Siens groep: “Onze organisatie, waarbij we aangesloten waren, verzorgde ons snel en regelmatig met distributiebonnen, maar helaas mislukte de verzorging in de Hongerwinter met extra levensmiddelen.” (23)

Ook rechtenstudente Philine Polak (1921-2018) wordt het laatste oorlogsjaar verzorgd door het MAKVI-groepje. Ze is een studievriendin van de gefusilleerde verzetsstrijdster Hannie Schaft (1920-1945). Philine had een jaar bij het gezin Schaft in Haarlem ondergedoken gezeten. Begin 1944 duikt ze onder op de Bethaniëndwarsstraat 9 in het centrum van Amsterdam. Kort nadat ze een aanslag heeft gepleegd komt Hannie Schaft Philine daar bezoeken. Hannie komt aangereden op een fiets met houten banden, de revolver in haar handtasje. (24)

Volgens Philine Polak is de Bethaniëndwarsstraat 9 ook een doorgangshuis voor onderduikers. Een vriend van Philine Polak, een jongen die polio gehad had en daardoor een opvallend loopje heeft, arriveert er in een wasmand omdat hij door zijn bijzondere manier van lopen teveel opvalt. (25) Mogelijk heeft hofjebewoner Herman Maillette de Buy Wenniger het over hem als hij schrijft: “We zijn eens, ’s avonds na spertijd, thuisgekomen van een vermoeiende verhuizing van Loutje. We hadden hem, opgevouwen in een middelmaat-wasmand, van drie hoog in de Jordaan, zo min mogelijk stommelend op de donkere trappen, in sukkeldraf op een extreem-gammele bakfiets zonder fietsketting of banden naar een veiliger adres getransporteerd”. (26)

Eva Pestachovsky (1926-1966) komt, net als het echtpaar Stern en Else Hausmann-Stein, als vluchteling naar Nederland. Ze is pas 12 als ze met haar oudere zus Ruth vanuit Berlijn in Rotterdam aankomt en daar in quarantaine moet. (27) Daarna worden de twee zussen nog samen naar een kindertehuis in Rijswijk gestuurd. Vervolgens worden ze gescheiden. (28) Eva komt in juli 1939 in een Joods pleeggezin in Den Haag. Dit hele gezin, ouders en een zoon en dochter van Eva’s leeftijd, wordt in augustus en september 1942 in Auschwitz vermoord. (29) Hoe Eva aan dit lot ontkomt is niet bekend. Aan het einde van de bezetting zit ze in onderduik aan de Overboslaan 3 in Haarlem en staat op de MAKVI-lijst.

Sien Spier brengt al deze onderduikers distributiebonnen en extra levensmiddelen. Zij en haar twee medewerkers leggen in Amsterdam Centrum, Zuid en West lange afstanden te voet en met de fiets af. Door de spoorwegstaking, die midden september 1944 begint, moeten ze ook naar Haarlem op de fiets. En dat alles in de Hongerwinter.

De distributiebonnen, waarmee de onderduikgevers eten kunnen kopen, komen -in ieder geval in de eerste maanden van 1945- van de verzorgingsgroep Ton. (30) Ton is Anton Kooij (1913), de zwager van de in december 1944 bij een fietsongeluk overleden verzetsman Piet Laroo, waarmee Vica en Margreet Taselaar veel samenwerken. Na Laroo’s overlijden neemt Anton Kooij zijn werk over.

Op 20 april 1945 krijgt Sien van Anton Kooij nog distributiebonnen voor kaas en aardappelen voor haar onderduikers. Hij vraagt haar om aan de onderduikers door te geven dat het de laatste bonnen zijn “aangezien er geen vervoer meer is”. (31) Zelf lijdt Sien ook onder honger en kou. In haar huis aan de Prinsengracht slopen de bewoners hout uit hun woningen om te kunnen stoken. Na de oorlog zijn bij Sien de keukenkastjes en elke tweede tree van de gezamenlijke trap verdwenen. (32)

Anton Kooij communiceert via briefjes met de verzorgers van de onderduikers. Uit een briefje “Ton aan Makvi” over bonnen voor blikjes sardines blijkt dat het MAKVI-groepje in april 1945 naast de hierboven genoemde volwassen onderduikers ook negen Joodse kinderen verzorgt, die tussen de 5 en 12 jaar oud zijn. Van drie kinderen worden voornamen gegeven, Bram 7 jaar, Frans 5 jaar en Elly 12 jaar. Van de andere kinderen wordt alleen de leeftijd vermeld. Het is niet duidelijk waar en bij wie deze kinderen ondergedoken zijn.

Lijst van door Sien Spier en haar MAKVI-groepje verzorgde kinderen in april 1945, kort voor de bevrijding. H.O.A. staat voor Hulporganisatie Amsterdam. Deze illegale organisatie leverde voedsel aan scholen en aan 5000 gezinnen met onderduikers. NIOD, 189 Vrije Groepen Amsterdam, 23: brieven van voorzitter K.L. de Vries van de Vrije Groepen Amsterdam aan o.a. het NSF etc. 6 juli-8 december 1945.

Al deze onderduikers krijgen financiële ondersteuning uit het Nationaal Steunfonds-Vakgroep J. Vica Taselaar heeft in 1942 al verzetscontact met Remmert Aten (33), een verzetsman uit Zaandam, die vanaf midden 1943 onder zijn verzetsnaam “de Lange” verantwoordelijk wordt voor het verdelen van de gelden van het NSF onder Joodse onderduikers. Remmert en Sien kennen elkaar ook al langer. Na de oorlog verklaart Remmert: “Heb Sientje Spier ontmoet ten huize van Vieka Taselaar ergens op de Prinsengracht in een soort hofje als ondergedoken vervolgde Joodse. Later heb ik een keer gelogeerd bij haar in een huis aan de Prinsengracht dicht bij de Westerkerk.” (34)

Remmert reist vanaf juni 1943 -eerst met de trein, daarna fietsend- door Noord en Zuid-Holland om de gelden van het Nationaal Steunfonds-Vakgroep J aan tussenpersonen te overhandigen, die het weer verder verdelen. Vakgroep J is binnen het NSF verantwoordelijk voor de Joodse onderduikers. (35) Sien Tersmitten-Spier alias Miep Dumont moet na de oorlog een begroting opmaken van de ontvangen NSF-gelden en maakt een lijst met daarop de namen en adressen van haar onderduikers en de ontvangen bedragen. Eva Pestachowsky, die bij een gegoed gezin in Heemstede onderduikt, krijgt bijvoorbeeld elke maand 25 gulden. Else Hausmann-Stein, die bij een arbeidersgezin woont, krijgt maandelijks 135 gulden. (36)

In totaal hebben Sien Spier en haar twee verzetscollega’s, Helena Grosmann en Jacob Hakkert, in de laatste maanden van de bezetting minstens acht volwassenen en negen kinderen tijdens hun onderduik voorzien van eten, distributiebonnen, valse papieren en geld. Alle volwassen onderduikers wonen in Amsterdam, behalve Eva Pestachowsky die in Heemstede ondergedoken zit. Waar de kinderen ondergedoken zitten is niet bekend, waarschijnlijk ook in Amsterdam.

Sien gaat ook regelmatig op bezoek bij haar neef Menno Denneboom (1922), zoon van Siens oudere zus Johanna uit Hilversum, die vanaf midden 1943 bij de Amsterdamse familie Meijer-Oosterveen op de eerste verdieping van de Jan Haringstraat 15 ondergedoken zit. (37)

Ook na de oorlog voelen de zussen Taselaar en Sien Spier zich verantwoordelijk voor hun eerdere onderduikers. Roberta Spier, het nichtje van Sien, dat ondergedoken zat in Haarlem is begin twintig als de bezetting voorbij is en weet niet direct wat ze met haar leven aan moet. Vica Taselaar, die na de oorlog verantwoordelijk is voor de opvang van kinderen van NSB’ers, zorgt ervoor dat Roberta een baan krijgt in één van die opvangtehuizen. Eva Pestachowsky krijgt direct na de bevrijding een woning op het adres van Margreet Taselaar aan de Herengracht. Menno Denneboom, die als enige van zijn gezin de holocaust overleeft, gaat op het Nieuwe Suikerhofje wonen.

Volgens Siens nichtje Nanny Spier woont Sien na de bevrijding ook nog een tijdje op het hofje. In haar eerdere woning op de Prinsengracht 172 gaat na de bevrijding het Joodse gezin Stodel wonen. De ouders hadden met de hulp van Piet Laroo in Rotterdam ondergedoken gezeten. Hun in 1941 geboren dochtertje duikt op in Nieuw-Vennep. (38)

Sien heeft zich nooit officieel (onder haar eigen naam) aangemeld in Amsterdam en verhuist uiteindelijk weer naar Haarlem. Ze blijft getrouwd met Ko Tersmitten, die in 1981 voor haar een aanvraag doet voor een verzetspensioen. Er komt eind 1981 nog bericht van de Stichting 1940-1945 dat Sien Spier waarschijnlijk zal worden aangemerkt als verzetsdeelnemer. Sien zelf verklaart dan dat ze haar verzet “in de tweede helft 1942 begon met de dames V. en M. Taselaar. Verdere samenwerking met Dr. L. Coppes, zussen Taselaar, Dick van Stokkum en Rem Aten. Verzetsorganisatie NSF, verzorgen van levensmiddelenbonnen en vervalste PB’s en andere legitimatiepapieren en andere werkzaamheden voor NSF.” (39) Omdat Sien Spier in 1982 overlijdt wordt de aanvraag voor een verzetspensioen stopgezet.

De onderduik van Menno Denneboom

Hierboven werd al even genoemd dat Sien Spier op bezoek gaat bij haar neef Menno Denneboom, die bij Hendrik Meijer (1914-1967) en Roelfina (Roelie) Meijer-Oosterveen (1913) in de Jan Haringstraat 15-I in Amsterdam-West ondergedoken zit. Menno komt na de oorlog op het Nieuwe Suikerhofje wonen.

Menno is de middelste zoon van Siens vijf jaar oudere zus Johanna (Anna) Spier (1891-1943). Zij trouwt in 1917 met Izak Denneboom (1891-1943), die rabbijn geweest was in Avereest, de geboorteplaats van Sien en Anna. Behalve Menno krijgen de Dennebooms nog twee zonen. Isidoor (Dorus) die in 1918 en Ezra die in 1924 geboren wordt. Anna is orthodoxer dan Sien en verhuist in 1925 met haar drie jonge zoons van Veendam naar Hilversum waar haar man directeur wordt van de S.A. Rudelsheimstichting, een tehuis voor geestelijk gehandicapte Joodse kinderen. Het tehuis aan de Verdilaan 10 is vernoemd naar de Leeuwardense opperrabbijn Samuel Azarja Rudelsheim. Roberta Spier, Siens en Anna’s nichtje, gaat hier in haar jeugd graag logeren omdat alle Joodse feestdagen uitgebreid gevierd worden. (40)

Anna en Izak Denneboom met hun drie zonen in de tuin van de Rudelsheimstichting, Verdilaan 10 in Hilversum.

In twee paviljoens wonen hier in 1940 bijna negentig kinderen. Menno vertelt in 1986 aan een journalist van de Gooi- en Eemlander het volgende verhaal over deze inrichting: “In het begin werden kinderen toegelaten die nog “opvoedbaar“ waren. Zij kwamen overal vandaan: Antwerpen, Rotterdam, maar vooral Amsterdam. Wij hebben ook kinderen uit Duitsland gehaald. Na de Kristallnacht probeerden families te emigreren naar de VS. Maar daar werden geen zwakzinnigen toegelaten. Het was voor die gezinnen noodzaak om onderdak te krijgen in Beth Azarja. Het was een afweging die enorme emotionele toestanden met zich meebracht. Sommige kinderen werden gek van verdriet“. (41)

Vrolijke vooroorlogse foto’s van kinderen in het tehuis van de Rudelsheimstichting. Via: Miriam Rosenbloom en Anne Goulet, dochters van Menno Denneboom.

Na de bezetting worden de ouders Denneboom door de Joodse Raad “gesperrt“ wat betekent dat ze (voorlopig) gevrijwaard zijn van deportatie. In 1942 confisqueert de Wehrmachtsbefehlhaber Friedrich Christiansen de gebouwen van de Rudelsheimstichting voor zijn staf. Op 16 april 1942 verhuizen de kinderen en verzorgers daarom naar de andere kant van Hilversum naar het landgoed Monnikenberg aan de Heideparkweg 51 (nu Soestdijkerstraatweg 151).

De drie zonen Denneboom gaan in de loop van 1942 in het tehuis werken. Tussen juni en augustus 1942 gaat Isidoor als opvoedend ambtenaar, Menno als monteur en Ezra als godsdienstleraar aan de slag. (42) Zij hebben weliswaar, net als het overige personeel in het tehuis, geen vrijstelling van deportatie maar veel mensen kunnen zich niet voorstellen dat de Duitsers ook patiënten en inwoners van ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, bejaardenhuizen en kindertehuizen zullen deporteren. Daarom zijn banen in dit soort inrichtingen gewild. 

Zowel Isidoor als Menno krijgen een relatie met vrouwen die ook in het tehuis werken. Isidoor verlooft zich met Rachel Waterman (1923-1943) uit Amsterdam, die in augustus 1942 als dienstbode in de Rudelsheimstichting aan de slag gaat. Menno krijgt verkering met Mietje (Meta) Vomberg (1921-1995) uit Zutphen, die al in het voorjaar van 1941 als kinderverzorgster in het tehuis werkt. De illusie van veiligheid wordt de bewoners van het Beth Azarja -“het huis waar de heer helpt“- genoemde tehuis ontnomen als in januari 1943 de patiënten en een deel van het verplegend personeel van de psychiatrische instelling Apeldoornse Bos op gruwelijke wijze vanaf het station Apeldoorn met een directe trein naar Auschwitz gebracht worden.

De vader van Meta Vomberg, die twee nichten heeft die in het Apeldoornse Bos werkten, vertrouwt het nu niet meer en vraagt Meta naar huis te komen. (43) Ze vindt het erg moeilijk om de kinderen achter te laten maar gaat op 11 februari 1943 terug naar Zutphen. Haar ouders, die als middenstanders in Zutphen veel niet-Joden kennen, duiken onder op een boerderij in Eefde. Meta en haar oudere broer en jongere zus duiken op verschillende adressen onder en overleven alle vijf de oorlog. (44)

Wat niemand zich kon voorstellen gebeurt op 7 april 1943. Dan worden 69 kinderen en tien verzorgers weggehaald uit het Rudelsheim tehuis en naar Westerbork gebracht. Ze worden allemaal doorgestuurd naar Sobibor en de meesten worden daar op 16 april vermoord. 

Izak Denneboom en zijn gezin zijn daar niet bij omdat ze al eerder opgepakt werden, namelijk op 19 maart. Nederlandse politieagenten halen het gezin op en brengen ze naar de gevangenis in Apeldoorn. (45) Menno ontkomt op die dag. Het is niet helemaal duidelijk waarom hij niet meegenomen wordt, er zijn meerdere verhalen in omloop. Waarschijnlijk is hij niet thuis. Mogelijk komt hij ook terug naar huis op het moment dat zijn ouders en broers opgepakt worden en doen die, om hem te redden of ze hem niet kennen .

Waarom het gezin Denneboom door de Nederlandse politie opgepakt wordt en in een gevangenis in Apeldoorn opgesloten wordt is niet duidelijk. Tegelijk met hen wordt ook de verloofde van Isidoor, Rachel Waterman, meegenomen. Haar één jaar jongere zus, Dina, is op dat moment blijkbaar ook aanwezig. De twee zussen worden tegelijk met het gezin Denneboom gevangen gezet. Op hun kaarten bij de Joodse Raad, en ook op die van Isidoor, staat vermeld dat ze als straf-geval naar Westerbork komen. Net als de Dennebooms zitten ze in Westerbork in barak 66. Dat was de oorspronkelijke strafbarak. In 1943 wordt barak 67 gebruikt als strafbarak. Als die vol is komen de strafgevallen -meestal onderduikers die gevonden zijn- ook in barak 66. Waarschijnlijk dook Dina, die in Amsterdam woont, onder in de S.A. Rudelsheimstichting, is ze verraden en wordt het gezin Denneboom als onderduikgever ook gearresteerd. 

Joodse raad kaart van Rachel en Dina Waterman met notitie “S geval”, strafgeval.

Rachel en Dina Waterman en Isidoor Denneboom komen op 19 maart 1943 in Westerbork aan en worden als strafgevallen al vier dagen later doorgestuurd naar Sobibor waar ze direct vermoord zijn. Er is geen tijd meer meer voor Rachel en Isidoor om te trouwen. De ouders Denneboom en hun jongste zoon Ezra zitten een week langer in een Nederlandse gevangenis want zij komen op 26 maart in Westerbork aan. Net als alle andere vroegere bewoners van de S.A. Rudelsheimstichting verblijven ze er in barak 66 en ook zij worden al snel doorgestuurd naar Sobibor. Alleen Ezra blijft langer in Westerbork. Hij gaat op 29 juni 1943 op transport en wordt net als zijn ouders in Sobibor vermoord. (46)

Menno Denneboom, die als enige van het gezin vrij blijft, moet op 19 maart 1943 in Hilversum hulp gehad hebben om onder te duiken. Het is niet bekend hoe dat gebeurde. Er is sprake van een lange reeks onderduikadressen waar hij elke keer maar kort kan blijven. Precies in deze tijd beginnen de Duitsers namelijk steeds meer Nederlandse mannen als dwangarbeider naar Duitsland te sturen en zijn er opeens veel onderduikplekken voor jonge mannen nodig. Menno krijgt van de illegaliteit een vervalst persoonsbewijs. Dit is het persoonsbewijs van Nicolaas de Jongh, een Nederlandse student medicijnen en zoon van een arts, die een jaar jonger is dan Menno. Of Nicolaas vrijwillig zijn PB aan een illegale werker geeft, of dat het gestolen wordt, is niet bekend. Op dit PB wordt een pasfoto van Menno geplakt. Menno gaat zo de onderduik in als de student Nicolaas de Jongh, geboren in 1923 in het kleine plaatsje Ameide in Zuid-Holland en wonende in Heiloo, ten zuiden van Alkmaar.

Menno’s foto op het vervalste persoonsbewijs

Deze Nicolaas de Jongh woont ook echt in Heiloo maar is blijkbaar spoorstudent, want hij studeert aan de Gemeente-Universiteit van Amsterdam. Menno is misschien vanuit Hilversum al snel in Amsterdam terechtgekomen. Zijn twee laatste onderduikadressen zijn wel bekend, en die zijn in Amsterdam-West. Zijn tante en verzetsvrouw Sien Spier heeft hem waarschijnlijk niet geholpen bij het vinden van deze onderduikadressen. Beide adressen zijn bij jonge gezinnen in Bos en Lommer die elkaar kennen uit de Nederduits Gereformeerde Kerk (calvinistisch-protestant). Siens verzetscontacten zitten meer in de niet-confessionele hoek en in onderwijskringen.

Menno’s één-na-laatste onderduikadres is in de Gibraltarstraat 51-1 in Amsterdam bij Jacob Izaac (Jaap) de Haan en Anna Christina (Ans) de Haan-de Kwant in Amsterdam. (47) Zij zijn uit religieuze overtuiging al vroeg begonnen met verzet. Jaap werkt aan het begin van de oorlog bij dagblad De Rotterdammer in Rotterdam. Daar wordt in 1939 ook hun dochter geboren. In 1941 verhuist het gezin naar Amsterdam en komt Jaap als machinezetter in dienst bij Boek- en Handelsdrukkerij S.J.P. Bakker aan de Lijnbaansgracht, waar hij met meerdere collega’s o.a. het verzetsblad Trouw drukt. Volgens Roelie Meijer-Oosterveen, Menno’s laatste onderduikgeefster, kan Menno niet bij het gezin de Haan blijven omdat Jaap de Haan doodgeschoten wordt door de Duitsers. Dat is inderdaad het geval, maar pas in 1945. (48)

Waarschijnlijk wordt voor Menno een andere onderduikadres gezocht omdat het gezin de Haan het Joodse echtpaar Salomon Gazan (1890-1971) en Saartje Gazan-Canes (1889-1966) onderdak geeft. (49) Voor drie onderduikers is geen plaats. Op zijn nieuwe onderduikadres, Bij Hendrik en Roelfina (Roelie) Meijer een paar straten verderop in Bos en Lommer blijft Menno tot aan de bevrijding. Het gezin Meijer is bevriend met het gezin de Haan. De twee gezinnen zijn ongeveer dezelfde tijd naar Amsterdam verhuist, wonen in dezelfde buurt, gaan naar dezelfde kerk en hebben beide een jonge dochter. Ook het gezin Meijer neemt twee onderduikers op in hun woning. Behalve Menno ook een in Wenen geboren Joodse jongeman; Heinz Hermann Otto Zwilling (1921-1995). Hij was voor een baan als leerling-laborant in het laboratorium van de Bataafsche Petroleum Maatschappij in mei 1939 van Zweden naar Nederland gekomen. Waarschijnlijk zijn de twee onderduikers bewust samen in een gezin geplaatst. Ze zijn ongeveer even oud en hebben allebei interesse in natuurwetenschap en techniek. De jonge mannen worden goed verzorgd en helpen Hendrik met zijn werk als meubelmaker en stoffeerder.

Roelie Meijer herinnert zich dat Sien vaak langskomt bij Menno. Sien brengt hem echter geen distributiebonnen. Menno en Heinz krijgen die van een andere verzetsorganisatie, die waarschijnlijk aan het illegale dagblad Trouw verbonden is. Volgens Roelie blondeert Sien haar haar om er minder Joods uit te zien. Ook zegt ze dat Menno bijna altijd binnen blijft, hij mag alleen af en toe op bezoek bij Sien in de Jordaan. (50) Dit is mogelijk omdat Menno waarschijnlijk via Sien aan een beter vals persoonsbewijs komt waar hij mee de straat op kan. 

Menno’s tweede valse persoonsbewijs.

Dit is een persoonsbewijs met Menno’s eigen vingerafdruk. Hoewel op dit blanco PB ook een andere naam ingevuld had kunnen worden blijft hij Nicolaas de Jongh, nu niet met woonplaats Heiloo, maar Amsterdam. Bij beroep wordt geen student meer ingevuld maar elektrotechnisch adviseur. Dat sluit beter aan bij Menno’s opleiding en leeftijd. Interessant is het adres dat op dit persoonsbewijs is ingevuld. Dat kan natuurlijk niet het adres van het gezin Meijer zijn. Als Menno op straat opgepakt en ondervraagd zou worden, dan kan hij natuurlijk niets zeggen over zijn onderduikadres om de Meijers en Heinz Zwilling niet in gevaar te brengen. Maar als op het adres dat in zijn persoonsbewijs staat navraag gedaan wordt door de politie, dan moet iemand in dat huis voor hem kunnen liegen en zeggen dat hij daar woont.

Daarom voert het adres Prinsengracht 1099 in Amsterdam naar de illegale werker die Menno aan dit valse persoonsbewijs helpt. Op dit adres wonen meerdere verzetsmensen en onderduikers. Vervalser van het PB zou Lammerdina Hendrika (Ineke) Boks (1919-1994) kunnen zijn. Zij komt hier in september 1942 wonen en studeert aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs. Dit instituut, de voorloper van de Rietveld Academie, wordt geleid door de linkse architecten Mart Stam en Johan Niegemann. Die verwachten van hun studenten dat ze verzetswerk doen. Ineke Boks vervalst papieren, geeft haar eigen persoonsbewijs aan een Joodse vrouw en verzorgt een jong Joods stel dat op de tweede verdieping van haar huis een jaar lang ondergedoken zit. (51) De linkse achtergrond van deze verzetsmensen sluit niet erg aan bij het protestants-christelijke credo van Menno’s onderduikgezinnen, maar wel bij dat van Vica Taselaar. Zij heeft hier verzetscontacten en via haar komt Sien Spier aan valse persoonsbewijzen. (52)

Op de Prinsengracht 1099 woont onder een valse naam ook een Joodse verzetsman, die direct met Vica Taselaar, Sien Spiers vroegere collega en onderduikgeefster, in verbinding staat. Henk van Gelderen (1921-2020) werkt in het verzet samen met Ineke Boks maar ook met grafisch kunstenaar Lidia Schöffer (1918-1980). Zij had dezelfde kunst-opleiding als Ineke Boks gedaan. Vanuit haar ouderlijk huis aan de Hacquartstraat 6 heeft Lidia meer dan duizend persoonsbewijzen vervalst. Haar schuilnaam in het verzet is „de reparateur“. Ook zij kan dus Menno’s persoonsbewijs gemaakt hebben. Lidia Schöffer heeft veel voor Vica Taselaar vervalst. (53)

Menno is tot het einde van de bezettting veilig in de woning van het gezin Meijer. Na de bevrijding gaat zijn vriendin Meta Vomberg, die in Zutphen op een zolderkamer ondergedoken gezeten heeft, naar hem op zoek. Ze vinden elkaar in Amsterdam, waar ze ook gaan wonen. In 1947 trouwen ze in Zutphen. Tot eind 1949 wonen ze op het Nieuwe Suikerhofje, waar ook hun eerste kind geboren wordt. Nog twee kinderen volgen op hun tweede adres in Amsterdam. In de zomer van 1953 emigreert het gezin naar Montreal in Canada.

De broer van Meta vraagt naar informatie over Menno: “Sinds Februari 1943 niets meer van hem gehoord. Was gedoken. Antwoord: “Geen gegevens hier aanwezig. Vermoedelijk niet in Westerbork geweest”.

NOTEN

1. https://vhaonline.usc.edu/viewingPage?testimonyID=8562&returnIndex=0

Arato is blijkbaar haar Hongaarse achternaam. Onder die naam is ze ingeschreven in Amsterdam. Haar familienaam is eigenlijk Aufrichtig. Ook haar voornaam is in verschillende vormen bekend: Jolanda, Jolanth, Jolanthe, Yolanda, Yolanthe, Loli, Yehudith, Judith, Judit.

2. Haar vader is al voor de oorlog gestorven. Een broer sterft als dwangarbeider in 1943.

3. Voor de oorlog probeert de familie Révész haar te adopteren. Door de bezetting gaat dat niet door.

Zie in het artikel over Henk Pelsers vluchtlijn op deze website ook het verhaal van de naar Nederland gevluchte Oostenrijkse zusjes Eva en Ruth Broessler. Géza Révész is hun aangetrouwde oom.

Bianca Stigter, Atlas van een Bezette Stad. Amsterdam 1940-1945, p. 187-188 vermeldt dat Révész vervalser Henk van der Tweel (schuilnaam van Louis Kleerekoper) helpt uit de gevangenis te komen. Révész kent uit zijn tijd in Duitsland een hoge Duitse officier.

4. Bianca Stigter, Atlas, p. 190, geeft ook informatie over Mimi Weiszmeyer. Zij is kokkin in Restaurant de Prinsenkelder op Prinsengracht 556 sous. Omdat ze Joods is wordt dit restaurant in 1940 verboden “für Wehrmacht”. Weiszmeyer sterft in Amsterdam op 3 december 1943 aan geelzucht.

5. Greta de Jong. Mogelijk is dit het echte PB van een zekere Margaretha Elisabeth Augusta de Jong, een lerares scheikunde die op 11 maart 1942 aangifte doet dat haar PB in de Bijenkorf gestolen werd. Ze is geboren in 1899, dus wel een stuk ouder dan Jolanthe Arato maar de geboortsdatum op een PB kan vervalst worden. Zie: SAA Politierapporten ‘40-’45.

6. In 1943 krijgen Hongaarse Joden in Nederland toestemming om met speciale treinen naar het toen nog onbezette Hongarije te reizen. Zie hiervoor: Willy Lindwer en Aline Pennewaard, De Treinreis, de miraculeuze ontsnapping van Hongaars-Nederlandse Joden in 1943 (2018).

Jolanthe Arato zegt in haar interview niets over die treinen. Ze leeft in de zomer van 1943 al onder een valse naam.

7. In het interview zegt ze dat van Stokkum tegen haar zegt: “You could do some service for us. We work on a mutual help basis”.

Martijn Katan schrijft in zijn recente boek over het Joodse verzet in zijn familie: Geen makke schapen. Een persoonlijke geschiedenis van joods verzet, 2021, p. 16: “Als joden eenmaal waren ondergedoken of elders woonden met een valse identiteit, kregen ze vaak de kans om mee te doen met het verzet. Velen grepen die kans aan.”

8. Dit is waarschijnlijk: Jacoba Antonia Margareta Evers. Geboren in 1913 in Brabant. Woonde ook in Den Haag, vanaf 1936 in Amsterdam. Beroep: Houdster van inrichting voor fysiotherapie. Scheiding in 1940. Hertrouwt januari 1945.

9. Bianca Stigter, Atlas, p. 190.

10. SAA, 5443 Inventaris van het Archief van het Wetenschappelijk Comité van Toezicht op het Onderzoek naar Amsterdamse Panden die een Belangrijke Rol in het Verzet 1940-1945 Hebben Gespeeld (Begeleidingscommissie van Tellingen). 3-31 Gespreksverslagen met oud-verzetslieden en ander onderzoeksmateriaal. 5. Het Parool, interviews met en dossiers van verzetsstrijders, p. 63.

11. Volgens SAA Politierapporten ’40-‘45 zit ze op 19 juni 1944 in een Nederlandse cel. Mogelijk is dat de dag voordat ze naar Westerbork gebracht wordt. Ze gaat daar onder bewaking naartoe in een gewone trein. In Utrecht lukt het Gerda Schwartz, een Hongaarse medegevangene, om te ontsnappen.

12. Voor het uitgebreidere verhaal over Sien Spier zie het hoofdstuk Vica Taselaar-onderwijzersverzet op deze website.

13. Roberta Boom-Spier, USC Shoah Foundation, visual archive online, 28-2-1996. Bekeken in het Joods Historisch Museum (2000 getuigen vertellen) op 19 januari 2018.

14. SAA-5443 Inventaris van het Archief van het Wetenschappelijk Comité van Toezicht op het Onderzoek naar Amsterdamse Panden die een Belangrijke Rol in het Verzet 1940-1945 Hebben Gespeeld (Begeleidingscommissie van Tellingen) 17-VGA (Vrije Groepen Amsterdam) Groep Karel (de Vries), Suykerhofje.

In 1944 komt Ko Tersmitten via Dick van Stokkum in aanraking met de koeriersgroep Rolls Royce en werkt hierin mee.

15 NA, Archief Stichting 1940-1945 Amsterdam, toegangsnummer 2.19.331, inventarisnummer 2835. Verklaring van Vica Taselaar op 18-1-1982.

16. Waarom ze zoveel jonger gemaakt is, is niet helemaal duidelijk. Mogelijk omdat haar twee verzetscollega’s geboortejaar 1905 en 1908 hebben en haar echtgenoot Ko 1903. Misschien zag ze er ook gewoon jong uit. De Zaanse verzetsman Remmert Aten ontmoet haar tijdens de oorlog een paar keer en noemt haar een “meisje”.

17. NA, Archief Stichting 1940-1945 Amsterdam, toegangsnummer 2.19.331, inventarisnummer 2835. Verklaringen van Sientje Spier-Tersmitten en Remmert Aten.

18. Nieuwe Haarlemsche Courant, 24-6-1960.

19. Dit lijkt me zeer waarschijnlijk maar er bestaat hiervoor geen bron. Voor het vroege verzet van de zussen Taselaar en Karel de Vries zie het artikel op deze website over Margreet Taselaar-Onderduikhulp.

De naam Makvi wordt gebruikt in verschillende briefjes van Ton (Anton Kooij) aan Miep Dumont (Sien Spier) zie: NIOD, 189 Vrije Groepen Amsterdam, 23: brieven van voorzitter K.L. de Vries van de Vrije Groepen Amsterdam aan o.a. het NSF etc. 6 juli-8 december 1945.

20. Getypte lijst met “Gegevens, betreffende ondersteunden (Joodsche afdeeling N.S.F.) Naam verzorger(ster): S. Tersmitten-Spier, Adres idem: Prinsengracht 72 III, Schuilnaam idem: Miep Dumont.” via Eric Schaap. Handgeschreven datum 11.6.1945.

21. https://www.janvaneijckstraat1940-1945.nl/verhalen/huis-nr-16-boven/

22. Via: https://loewenhardtfoundation.org/tag/erich-stern/

23. https://www.testifyingtothetruth.co.uk/viewer/object/105360/18/

Else Stein heeft ook nog twee dochters. Dochter Gerda sterft op 15 juli 1942 in een ziekenhuis in Amsterdam op dertigjarige leeftijd aan tuberculose. Else’s jongere dochter Ruth was voor de oorlog al naar Engeland verhuisd.

Het extra eten in de Hongerwinter ging voornamelijk naar kinderen en zieke volwassenen.

24. USC Shoah Foundation Visual History Archive, interviews met Sella Sanders-van Straten in 1995. Gezien in het Joods Museum Amsterdam op 23 mei 2023.

Dit bezoek van Hannie aan Philine was waarschijnlijk in maart 1945. Hannie Schaft en Truus Oversteegen plegen op 1 maart 1945 in Haarlem een gelukte aanslag op de foute politieagent Willem Zirkzee en op 15 maart 1945 op de V-man Ko Langendijk, die slechts gewond wordt. Hannie wordt op 21 maart 1945 bij een straatcontrole in Haarlem met verzetskranten en de revolver in haar fietstas gearresteerd en op 17 april in de duinen bij Bloemendaal doodgeschoten.

25. Interview Philine Polak: https://vha.usc.edu/testimony/25269?from=search

26. Toke van Helmond, Bob Hanff 1894-1944, De Engelbewaarder/Amsterdam 1982, p. 163.

27. https://www.dokin.nl/surviving_children/eva-pestachowsky-born-4-aug-1927/

28. Haar oudere zus Ruth gaat in mei 1942 als leerling verpleegster werken in het Joodse psychiatrische ziekenhuis Apeldoornse Bos. Op 22 januari hoort Ruth bij de 51 personeelsleden die tegelijk met alle patienten met een trein direct van Apeldoorn naar Auschwitz gebracht worden. Ruth heeft daar nog dwangarbeid moeten verrichten en haar sterfdatum is geschat op 28 februari 1943. Hier is haar volledige verhaal te lezen: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/612207/in-memoriam

29. https://www.joodsmonument.nl/nl/page/143435/michel-snoek

30. NIOD, 189 Vrije Groepen Amsterdam, 23: brieven van voorzitter K.L. de Vries van de Vrije Groepen Amsterdam aan o.a. het NSF etc. 6 juli-8 december 1945.

31. idem.

32. Het persoonlijke verhaal van Betty-Stodel-van de Kar, april 2004, uitgave in eigen beheer, p.77.

33. Voor het eerdere contact tussen Vica Taselaar en Remmert Aten zie het hoofdstuk Vica en Margreet Taselaar-Pro Juventute op deze website (De Viersprong in Driebergen).

34. NA, Archief Stichting 1940-1945 Amsterdam, toegangsnummer 2.19.331, inventarisnummer 2835.

35. https://meitotmei.nl/de-zaanstreek-in-de-tweede-wereldoorlog-6-remmert-aten/

36. Getypte lijst met “Gegevens, betreffende ondersteunden (Joodsche afdeeling N.S.F.)” via Eric Schaap. Handgeschreven datum 11.6.1945.

37. https://collections.yadvashem.org/en/righteous/search-results/Meijer-Oosterveen?page=1

38. Het persoonlijke verhaal van Betty Stodel-van de Kar, eigen uitgave, april 2004.

39. NA, Archief Stichting 1940-1945 Amsterdam, toegangsnummer 2.19.331, inventarisnummer 2835.

Dr. L. Coppes is de latere hoogleraar tandheelkunde Leo Coppes (1921-2008). Ik heb niet kunnen vinden hoe hij ingebonden was in dit verzorgingswerk. Hij heeft tijdens en na de oorlog een tijd in het huis van de moeder van Vica Taselaar aan de Catharijnesingel 72 in Utrecht gewoond, maar dat hoeft niet per se met verzetswerk te maken te hebben. Hij studeerde tandheelkunde in Utrecht. Hij kon door de oorlog zijn studie niet afronden en nam na de bevrijding zijn studie weer op.

https://www.ntvt.nl/vakverdieping/zakelijk/19934/serie-leermeesters-professor-dr-leo-coppes-een-markante-persoonlijkheid-1921-2008-

Voor Dick van Stokkum zie het artikel over hem op deze website.

40. Roberta Boom-Spier, USC Shoah Foundation, visual archive online, 28-2-1996. Bekeken in het Joods Historisch Museum (2000 getuigen vertellen) op 19 januari 2018.

41. De Gooi en Eemlander, 5 mei 1986, interview van Bert Mol met Menno Denneboom.

42. Kaarten van de Joodse Raad via: https://arolsen-archives.org

43. https://www.joodserfgoedrotterdam.nl/pauline-alida-vomberg/

USC Holocaust interview Meta Denneboom, https://vha.usc.edu/testimony/54587?from=search&mm=bio, gezien in FU Berlijn op

44. https://stolpersteinezutphen.nl/index.php/persoon/emanuel-vomberg

45. https://www.joodsmonument.nl/nl/page/675896/politie-van-apeldoorn

46. Kaarten van de Joodse Raad via: https://arolsen-archives.org

47. Herinneringen van Roelie Meijer-Oosterveen, via Miriam Rosenbloom (Menno’s dochter). Email van 16.10.2018.

48. idem.

https://www.eerebegraafplaatsbloemendaal.eu/slachtoffer/jacob-izaak-de-haan

49. Saartje Gazan-Canes is als artiest bekend onder de naam Stella Fontaine: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Canes

Zij zijn de grootouders van Dieuwertje Blok.

50. Herinneringen van Roelie Meijer-Oosterveen, via Miriam Rosenbloom (Menno’s dochter). Email van 16.10.2018.

51. https://nl.wikipedia.org/wiki/Ineke_Boks

De onderduikers zijn het jonge Joodse echtpaar Samuel Marek (Milo) Anstadt en Lydia Bleiberg (1920). Ze trouwden in maart 1941 en hun dochtertje zit elders ondergedoken. Milo schrijft na de oorlog over deze onderduik het boek “De verdachte oorboog. autobiografische roman”.

52. Dit is erg speculatief maar eventueel zou er een directe verbinding kunnen zijn tussen het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs en Menno’s onderduikgever Hendrik Meijer. Directeur en architect Johan Niegemann bouwt tijdens de oorlog niets en legt zich toe op meubel design. Het beroep van Hendrik Meijer is behanger, stoffeerder en meubelmaker. Mogelijk maakt hij Niegemanns meubelontwerpen en leren ze elkaar zo kennen. Levensbeschouwelijke verschillen waren in het verzet vaak niet meer zo belangrijk.

52. Gerben Post, Schöffer & co. Familiebedrijf in verzetszaken, Amsterdam 2021. p. 191-192, 194 en 228-229